08-10-08

Zomerzotheid - Deel 3

Zomerzotheid – Deel 3

(een bewaarengel vervolgverhaal)

 

Met groeiend ongeloof luisterde Mieke naar het plan van haar bewaarengel om Wendy “van’t straat” te helpen.

“Je bent gek, weet je dat?”, vond ze.

“Plezant zot zijn doet geen zeer!”, antwoordde hij, met een snoetje waarop te lezen stond dat hij het heerlijk vond om op deze manier in de belangstelling te staan.

‘”Gelijk al hoe, ik geloof niet dat dit gaat werken,” vervolgde ze, “ons Wendy is bang van water, én alles wat koud en nat is, we gaan haar nooit zo gek krijgen om te gaan zeilen aan zee, het gaat nooit lukken om haar in het sop te laten belanden en daarna te laten redden door haar koene ridder.”, ze bleef ongelovig haar hoofd schudden.  “, en daarbij, het is me ook veel te gevaarlijk!”

“Pffft, dan niet he?  Heb jij een beter idee?”

“Nee, niet direct, maar zo ver gaan we het toch niet moeten zoeken?  Hoe moeilijk kan het nu zijn om twee mensen met elkaar in contact te brengen?”, zei ze.

Met een sceptisch gezicht vouwde bewaarengel zijn armpjes over elkaar, “Ah, vertel ne keer?”, vroeg hij.

“Wel, simpel!”, zei Mieke, ze nam nog eens diep adem om genoeg lucht te hebben om het ganse plan uit te leggen, maar kreeg de kans niet omdat toen de telefoon ging.

“Wie zou dat nu zijn?”, vroeg Mieke en ze haastte zich om op te nemen.

“Ons Wendy!” fluisterde ze, terwijl ze de hoorn met haar hand bedekte, en luisterde naar wat Wendy te vertellen had.

Bewaarengel zweeg terwijl Mieke luisterde.

“Ah! … Ja! … Natuurlijk! …. Nee … Natuurlijk niet! … Echt! … Seeegggg! … OK! … Afgesproken! … Om tien uur in ons bistrootje! … Ça va, tot latertjes!”

Blij legde ze de hoorn weer neer, en keek haar bewaarengeltje aan.

“Het was Mieke!”

“Ja, zo ver waren we al!”, zei hij, terwijl hij plagerig met zijn ogen rolde.

“Ze vroeg of ik mee ging winkelen, ze is aan een feestelijke outfit toe voor een personeelsfeestje.”, zei Mieke.

“Oh, en jij moet daar eerst eens niet over nadenken?”, vroeg hij.

“Natuurlijk niet, seggggg!”, antwoordde ze.

Bewaarengel zweeg nogal veelbetekenend, en ineens viel Mieke haar euro.

“Heee! Zit jij hierachter?”

Bewaarengel bleef hardnekkig zwijgen.

“Jij zit hier dus achter.”, drong ze aan.

“Neugh …” antwoordde hij quasi nonchalant.

“Hmmm, ik vraag me alleen af hoe, jij bent toch al die tijd hier geweest?”

“Ja, maar bewaarengeltjes kennen een truukje of twee om op meerdere plaatsen tegelijk te zijn hoor!” zeer zelfvoldaan keek hij vanonder zijn wenkbrauwen, zich er niet van bewust dat hij zonet zijn betrokkenheid in het zaakje had toegegeven.

“Dus toch!” antwoordde Mieke triomfantelijk.

“OK, Ok ….”, even deed hij een poging om betrapt te kijken, maar deze mislukte jammerlijk.

“Gelijk al hoe, zou je je dan eens niet beginnen haasten en je wat ordentelijk gaan maken?  Een beetje make-up zou niet slecht zijn, je ziet weer kweet niet hoe bleekjes.”, monsterend keurde hij haar.

Een beetje op haar tenen getrapt wou ze een bitsig antwoord geven, maar hij was haar te snel af, “Kom, haast je nu maar, dan ga ik effe kijken of onzenlievenheer er nog altijd akkoord mee is.”

Mieke hoorde het in Keulen donderen.

“Oh?  Moet jij verantwoording afleggen aan je baas?”, vroeg ze verbaasd.

“Ja, natuurlijk, wij bewaarengelkes kunnen niet zo maar in het wilde weg rond bewaren zulle, dat is allemaal strikt gereglementeerd.” , antwoordde hij zonder verpinken, en hij liet haar alleen.

 

Op het afgesproken uur zat Mieke –natuurlijk weer veel te vroeg- te wachten in de taverne waar ze altijd eerst iets dronken voor ze het shopping center onveilig maakten.

Omdat ze toch wat te vroeg was amuseerde ze zich met het gadeslaan van de winkelende mensen. Het was flink druk, en ze zag een hoop mama’s met weerspannige kinderen, vermoeide papa’s die sluiks keken naar frisse jonge meisjes en de sporadische vrijgezel die –zo zielig!- alleen zijn inkopen deed.

Ze zag een ietwat onhandig jongmens klungelen met zijn boodschappentasjes, en kreeg ter plekke medelijden, en een kleine kriebel in haar buik.

“Hmm … die is zeker niet mis!” vond ze, en probeerde –vruchteloos- tersluiks zijn blik te vangen.

Ondertussen was bewaarengelmanske druk bezig met zo onopvallend mogelijk het koekje te besluipen dat bij haar koffie lag.

“Awel, zoet muileke, heb je weer trek?” vroeg ze plagend.

“Bwah, iemand moet toch de kwaliteit van de koekjes hier in het oog houden!” vond hij, terwijl hij het koekje al vasthad, het papiertje ervan af scheurde en keek wat er in het pakje zat.

 “Hmmm … een speculoosje!”, zei hij, en enthousiast beet hij er een hoekje af.

Schuin over hen zat een dametje verbaasd naar het zwevende speculoosje te kijken.

Mieke zag hoe ze haar bril schoonmaakte om beter te kunnen zien.

Snel greep ze het speculoosje en deed alsof ze met het koekje zat te spelen, waarop het dametje verward een andere kant uitkeek.

“Zeg! We zitten hier wel tussen een massa mensen he? Probeer je wat onopvallender te gedragen!” siste ze bewaarengel toe.

“pffft, die oude doos is toch al seniel én dement, wat maakt dat nu uit! En daarbij …”

Bewaarkwietjes uitleg werd onderbroken door Wendy die enthousiast kwam aanwandelen en Mieke bij wijze van begroeting een flinke smakkerd op haar wang gaf.

19:48 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (6) |  Facebook |

25-09-08

Pakjes-dag

 

op weg naar

beter - schap

vol dagen

als kadootjes

 

mooie pakjes

op een rij

uit - gelijnd

levensverhaal

 

pak jij de dag

na dag uit

en zet hem bij

blij met nu

 

 

20:16 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (4) |  Facebook |

25-05-08

Zomerzotheid - Deel 2

(Een bewaarengel vervolgverhaal.)

  

Wendy was blootsvoets, en alleen gekleed in een witte badjas, aan het genieten van het ochtendzonnetje op het vierkante metertje dat ze trots haar ‘terrasje’ noemde, toen ze een zachte “plons” hoorde. 

Ze keek naar het plateautje waar ze haar kommetje cornflakes had gezet, en zag een vreemd wezentje met een verongelijkt snoetje uit de melk opduiken. 

“Misschien moet ik toch nog een kopje koffie nemen, en eerst wakker worden,” dacht ze, “ik zie spoken!”

“Gadver, ik moet toch echt leren om de coördinaten eerst goed na te rekenen voor ik nog eens een sprong maak!”, foeterde het kleine ventje.  Hij klauterde uit het kommetje en schudde als een jong hondje de melk van zijn lijf.  Op zijn rug zag ze twee spierwitte vleugeltjes, en hij droeg alleen maar een beige doek rond zijn middel.  Het was haar een raadsel hoe die doek daar bleef zitten, want ze kon nergens een knoop of veiligheidsspeld zien.

Ze zat perplex.

“Hey, niet zo vies kijken, ik heb me gewassen deze ochtend, je kan je cornflakes nog opeten!”, sprak het wezentje met een verrassend heldere stem.  Hij peuterde een cornflake’je van tussen zijn vleugeltjes en stak het smakelijk in zijn mond.

Wendy wist echt niet wat ze nu moest doen, en besloot dan maar om te blijven zitten.  Het was overduidelijk dat ze nog aan het dromen was, en tot nu toe was het eigenlijk zelfs een grappige droom.

“Eugh … Hallo?” vroeg ze.  Ze had tenslotte manieren meegekregen in haar opvoeding, en een begroeting was toch altijd een net iets om te doen.

“Piep!” antwoordde het ding lachend, “Alles ok met jou?”.

Een ogenblikje had Wendy een deju-vu: haar vriendin Mieke begroette haar steevast met hetzelfde zinnetje, alleen volgde er op die vraag een dikke smakkerd op haar wang.  Mieke gaf nooit zoentjes in de lucht, ze gaf ofwel échte kusjes, ofwel geen kusjes, en voor Wendy was dat prima.

“Eugh, ja, … ça va. ” Besloot ze dan toch maar te antwoorden, dit was écht wel de gekste droom ooit!

“Je droomt niet.” wist het gevleugelde ventje, alsof hij haar gedachten kon raden.

“Ah nee?”, vroeg ze, “Ik ben daar nog niet zo zeker van!” ze knikte vastberaden, dit was een droom, en niets wat dit ventje vertelde zou haar op andere ideeën brengen.

Het vleugelventje fladderde naar de potten met planten die in een hoekje van het terras stonden, trok verbluffend snel een stekeltje uit de Christusdoorn die daar stond, en prikte venijnig diep in haar arm.

“Au! Laat dat, wil je!” verontwaardigd wreef ze over de zere plek.

“Geloof je nu dat je niet droomt, of zal ik nog eens prikken?” het ventje vloog heen en weer voor haar neus, en hield piraat-gewijs dreigend de stekel voor zich.

“Nee, nee, ik geloof je, hou maar op!”  Als ze niet droomde, wat gebeurde er dan allemaal?

“Ik ben een bewaarengel.” Voor de tweede keer leek het alsof het kereltje haar gedachten kon lezen.

“Die bestaan helemaal niet!” het floepte uit haar mond nog voor ze goed wist wat ze gezegd had, en zijn reactie bleef dan ook niet uit.

Met een van pijn vertrokken gezichtje greep hij naar waar ongetwijfeld zijn hart moest zitten, en met een dramatisch gebaar liet hij zich op de grond neervallen.

Ze wist nu helemaal niet meer wat te zeggen, en dus zweeg ze.

Het engeltje ging met een verongelijkt snoetje op zijn achterwerk zitten, zijn korte beentjes recht voor zich uit, en keek haar hoofdschuddend aan.

“Ah zo, ik besta niet, wat voor een ongelovige Thomas ben jij!”

Daar had ze nog steeds geen antwoord op, en dus bleef ze zwijgen.

“Foei foei!  En ik kom nog wel met een speciale missie.”, hoofdschudde hij, “Ik heb je hulp nodig.”

“Hulp?  Van mij?” ze dacht na, “Waarom heeft mijn bewaarengel mijn hulp nodig, is het niet omgekeerd?”

“Ik ben jouw bewaarengel niet, ik ben die van je vriendin Mieke, de jouwe zit op’t wc.”

Hij keek er nogal zelfvoldaan bij, en ergens leek zijn verklaring logisch.

“Ha zo, de mijne zit op’t wc … en waarom heb ik de mijne nog nooit gezien en kan ik jou nu wel zien?” vroeg ze achterdochtig.

“Oh, tja, dat is een missing’ske geweest, ik was vroeger een kwelduiveltje, maar omdat de bewaarengel van ons Mie overspannen raakte, zocht Sinte Pieter nogal rap een vervanger.  Ik versta ook niet goed waarom ik de enige vrijwilliger was, maar omdat ik vond dat ik aan een nieuwe uitdaging toe was en de gewone bewaarengelkes allemaal geen zin hadden mocht ik hem vervangen.” Hij moest even naar adem happen nadat hij dat allemaal in één keer had verteld.

“Overspannen?” vroeg Wendy.

“Ja, neem het die arme drommel maar eens kwalijk, zoals zij ongeluk aantrekt, dat hou je gewoon niet voor mogelijk!” met rollende ogen keek hij haar aan.

Hij had een punt, Mieke leek een talent te hebben om zichzelf in nesten te werken.

“Dus die bewaarengel was overspannen, en dus vroegen ze jou, een kwelduiveltje, om een soort interim te doen?”

 “Voilà, je hebt het beet, maar het moest allemaal nogal rap gaan, en daarom was ik vergeten om me onzichtbaar te maken, het vervolg ken je.”  Het engeltje haalde zijn schoudertjes op alsof hij er verder ook niks aan kon doen en keek haar monsterend aan.

“Ah zo, en waarom kan ik jou nu zien?”

“Seeeggg! Je bent toch niet achterlijk hé?  Hoe kan ik je nu voor mijn karretje spannen als jij me niet kan zien?” Teleurgesteld over zoveel dommigheid schudde het kereltje zijn hoofd.

“Ja, dat is ook waar.”, beaamde ze, “OK dan, en hoe wil jij mij voor je karretje spannen?”

“Wel, ik ga je dat hier direct ne keer explikeren zie!”  Hij ging wijdbeens op de rand van de balustrade zitten, en gunde haar zo een ongecensureerde blik in zijn lendendoek.

“God-Maria-Jozef!” schrok ze, “Wil je je alsjeblieft een beetje netter zetten? Het is te vroeg op de dag om al van mijn geloof te vallen!”

“O, sorry!” blozend schikte hij zijn luier weer op zijn plaats, en kruiste zijn armpjes om zich een houding te geven.

“Ik dacht dat engeltjes geslachtloos waren?” ze kon het niet laten om de vraag te stellen, het ventje was onwaarschijnlijk flink geschapen voor zo iets kleins.

“Pffft, jij weet ook niks he?” ondeugend keek hij haar aan, “Engeltjes hebben zo ook hun pleziertjes hoor, het heet daar niet voor niets ‘de zevende hemel’ !” schunnig trok hij zijn wenkbrauwen een paar keer omhoog in een veelbetekenend gebaar.

Deze info was er voor Wendy bijna te veel aan, en ze besloot om maar niet te reageren op zijn uitspraak.

“En daarbij, spreek voor jezelf, je zou beter je eigen tenue fatsoeneren!”

Met blozende kaken moest Wendy vaststellen dat haar badjas was opengevallen, waardoor haar boezem schaamteloos hing te bengelen in het blikveld van het bewaarengeltje.  Snel trok ze de badjas steviger rond haar lijf, ‘Die potverdoriese deugniet!’, dacht ze.

“Voor mij moet je ze niet wegsteken, ’t is niet niet mis wat daar onder dat badvestje zit zenne!” bewonderend floot hij het bekende bouwvakkersfluitje, leunde relaxed achterover op de balustrade, en vertelde verder, “Maar goed, ik ging je vertellen hoe ik jou voor mijn karretje wil spannen!”

Ze knikte als aanmoediging om verder te vertellen.

“Luister, het zit zo, ons Mieke is wel een gezonde bie, maar veel meer dan honderd jaar gaat ze niet worden, en tegen dan wil ik promotie maken.”

“Promotie?” echo’de ze.

“Ja, promotie,” antwoordde het gevleugelde ding.  “Ik ben al lang zot van de job van Cupido.  Die gevleugelde kwistenbiebel is al veel te lang op zijn retour, en het wordt hoog tijd dat er eens een frisse wind door de liefde waait!”

“Cupido?” vroeg Wendy verwonderd, “Bestaat die ook echt dan?”

“Natuurlijk!” knikte het ding enthousiast, “Jij kan dat natuurlijk niet weten, want hij negeert jou altijd, maar ons trezebees wordt vaak genoeg met zijn pijlen bestookt, ik heb ‘k weet niet hoeveel werk om al die pijlen op te vangen!”

“O, en dat is niet goed?” vroeg ze.

“Nee, het wordt hoog tijd dat er zich eens iemand serieus mee bezighoudt en ons Mie aan een deftig mannemens helpt!”

Wendy dacht na, “Hmm, je kan gelijk hebben, ’t is nu niet direct een flirterig type he?  Ons Mieke?”

In gedachten telde Wendy het aantal vriendjes waar ze weet van had.

“Je mag stoppen met tellen, ze kunnen inderdaad geteld worden met de vingers van één hand” zuchtte het ventje, “Juist daarom dat het hoog tijd wordt dat we er ons eens mee gaan bemoeien!”

Instemmend knikte ze, het mocht dan een vreemd ventje zijn, maar hij had groot gelijk.

“Zeg, eugh ... als je dan toch zo tuk bent op Cupido zijn postje, kan je mij dan ook niet, eugh, terwijl je toch bezig bent, … eugh … je weet wel?” vroeg ze aarzelend.  Alhoewel ze het al dik 35 jaar prima deed zonder vriendje was het ’s nachts toch vaak eenzaam koud in haar bed.

“Zo een paar stevige armen zouden niet mis zijn zeker?” met een vette knipoog gaf het engelmanske aan dat hij ook deze keer haar gedachten gelezen had.

Ze knipoogde terug, “Mensen en engeltjes verschillen op dat punt niet zo heel veel, of wel?”

Hij knipoogde terug, “Als jij mij helpt, dan help ik jou!”

Ze was overtuigd.  “Ok, zeg me wat ik moet doen!”

“Heel simpel, jij belt haar nu op en vraagt of ze mee gaat winkelen, en dan doe ik wel de rest!”

“Ok!” antwoordde Wendy, “Ik maak er meteen werk van zie!”, ze nam meteen haar gsm om haar vriendin te bellen.

00:01 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

23-05-08

Zomerzotheid - Deel 1

(Een bewaarengel vervolgverhaal)

 

“Wemmen een probleem!”

Bewaarengel floepte tevoorschijn net toen Mieke een voorzichtig teugje van haar nog veel te hete koffie wou nemen.  De koffie brandde genadeloos tegen haar gehemelte.

“Gadver! Zeg! Wil je dat wel eens laten! Ik verbrand mijn tong!” Voorzichtig zette ze haar kopje weer neer, te warm is te warm, en zo had ze haar handen vrij voor die pestengel.

“Ja, ja, … drink wat minder koffie dan heb je dat niet aan de hand!”

Wijsneuzerig als altijd fladderde bewaarengel rond, “Gelijk hoe, we hebben een probleem!” parmantig zweefde hij met gekruiste armpjes voor haar neus.

“Hebben WIJ een probleem? Of heb JIJ een probleem en sleur je mij er weer vrolijk bij?” monsterend keek ze hem aan.

“Wij!”

Hij nam, quasi onverschillig, de lepel in het kopje met zijn twee knuistjes stevig beet en begon enthousiast in het kopje te roeren.

“Ok, ok, en welk probleem hebben WIJ dan wel?” Vlug nam ze het lepeltje af voor hij ongelukken deed en legde het neer naast het kopje.

“Wendy is haar hart verloren!” wist hij droog, terwijl hij de lepel alweer besloop.

Mieke zat perplex.

“Onze Wendy? Haar hart verloren? Aan wie? En waarom weet jij dat voor ik het weet?” achterdochtig keek ze hem aan, wat was hij nu weer aan het bekokstoven?

“Omdat jij nooit oplet en zit te dromen en daarom altijd alle lol mist?” stelde hij en gaf haar een plagerige tik met het lepeltje.

“Hou daarmee op! Lepeltjes dienen om mee te roeren, niet om mee te tikken!” Ze legde het lepeltje terug neer terwijl ze diep nadacht.

“Wendy haar hart verloren zeg … het is toch wederzijds he?”, vroeg ze.

“Wel, dat is nu net het probleem, hij weet het nog niet!”, net op tijd gritste ze het lepeltje weg voor hij er weer mee aan de haal ging.

“Oei! En nu? Wat gaat ze nu doen?” Voorzichtig proefde ze of de koffie al wat was afgekoeld.

“Wel, ze kan nog niets doen, want ze weet niet waar hij woont … maar ik weet dat lekker wel natuurlijk!” Zeer zelfingenomen draaide hij een toertje rond de bureaulamp.

“Ok, dus jij weet het wel … en ga je deze keer gewoon zeggen wat je weet en niet beginnen zeuren over levenspaden die moeten gevolgd worden enzo?”, vroeg ze.

“Ja, ja, deze keer wel, want ze zijn voor elkaar bestemd, en als IK hen met elkaar in contact breng kan ik Cupido eindelijk eens een keertje een hak zetten!” Glunderend hing hij bungelend voor haar neus, het was duidelijk dat hij al aan het genieten was.

“Cupido?” vroeg ze, “bestaat die ook echt dan?”

Bewaarengel zat even verstomd van verbazing, maar hij herpakte zich al snel “Tuurlijk bestaat die echt, dat je daar durft aan twijfelen! Hij bestookt jou vaak genoeg met zijn pijlen, enkel en alleen maar om mij te pesten! Maar hij wordt ouder en kan niet goed meer mee met zijn tijd, dus zou ik graag zijn baantje overnemen, dit is een goed begin he?

“Jij? Als Cupido? Man, man, man, … nu heb ik het allemaal gehoord! Vertel eens? Wat is het plan?”, hoofdschuddend dronk Mieke haar koffie.

“Wel, we moeten ons Wendy en die knul met elkaar in contact brengen, maar zonder dat ze doorhebben dat wij hen aan het koppelen zijn!”

“Ok, en hoe gaan we dat dan doen?” eigenlijk was ze wel een beetje enthousiast, niks mocht Wendy’s geluk in de weg staan!

“Heel simpel! Luister!” en hij kwam in haar oor fluisteren.

 

20:40 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook |

09-02-08

Weerbericht ...

De mist van het verleden

mocht haar sluier leggen

over herinneringen

die pijn hebben gedaan

 

Maar samen met het nare

bedekt zij ook het mooie

en nu ik achterom kijk

is er alleen maar grijs.

 

Daarom wil ik dapper zijn

en zon laten schijnen

om zo de troebele voile

weer kleurrijk te maken.

 

Want pijn is soms nodig

om helderder te voelen

en sterker in de schoenen

van de toekomst te staan.

17:04 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (6) |  Facebook |

29-12-07

Twee ottertjes

Onderstaand filmpje kreeg ik opgestuurd door een hele leuke man, en ik vind het zo lief, dat ik me niet kan inhouden en het hier plaats.

Het is het fijnste als je het helemaal uitkijkt, maar voor wie wil weten waar hij aan begint:

In het filmpje zie je twee ottertjes, tevreden dobberend in rustig water, terwijl ze elkaars handjes vasthouden. 

Waarom?

Wel, omdat dat gewoon heel erg leuk is, handjes vasthouden als je lekker aan het dobberen bent!

Ineens, gebeurt er iets, en net als je denkt dat het niet meer goed komt, is er toch nog een happy-end.

En dat is zo heel erg aaaaaahhhh!!!!

Dus, voor 2008 nu eens geen goede gezondheid, of een schoon lief, of een nieuwe job ...

Nee!

Voor iedereen wens ik, voor 2008, een ottertje toe dat je handje vasthoudt als je lekker ronddobbert!!!

Drie kusjes,

Tina

xxx

12:52 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (6) |  Facebook |

17-11-07

Minusculus

Minusculus

 

Grote man

zo heel stoer

bluf je weg

naar de top

 

Roepen want

als je praat

mist je stem

alle kracht

 

Bange vent

minuscuul

enge gedachten

en kleine ideeën

 

Ik hoef je niet

ga uit mijn buurt

laat me zijn

dan laat ik jou

 

Bange

Kleine

Domme

Meneer

 

*

 

Nah!

’t Moest er ne keer uit … sorry …

 

 

15:17 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (5) |  Facebook |

31-10-07

Geen geluk

 *

Wanneer melancholie

bezit van mij neemt

en zilverglanzend tranen

op mijn wangen trekt. 

 

Omdat alles wat ik doe

net niet perfect lijkt

en de tweede keus zijn

niet goed genoeg is. 

 

Dan wens ik dat god

mij wat vroeger komt halen

en me verlost van de last

die mijn leven soms is. 

 

Heel even maar.

...

 

22:49 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (7) |  Facebook |

20-10-07

Ik héb jou ...

Zoals de kleine prins

de vos had tam gemaakt

heb jij onverwacht

iets in mij geraakt. 

 

Was het hoe je deed

een twinkel in jouw lach

de manier waarop jij

mij monkelend bezag.  

 

Je kreeg een plaatsje in mijn hart

daar raak je nooit meer uit

wat je ooit nog doet of zegt

 

... je zit onder mijn huid.

00:07 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (4) | Tags: under my skin, liefde, houden van, twinkelen, lachen, leven |  Facebook |

30-09-07

Het ga je goed ....

 

Het ga je goed ...

 

Je nam zonder vragen

een stukje van mij

het stukje dat jou

zo anders vond.

 

Dat kleine stukje

ik heb het niet nodig

neem het maar mee

't vervaagt in de tijd.

 

Ik ga je niet missen

en heb je niet nodig

verlangen doet

veel te veel pijn.

 

 

10:44 Gepost door Dulcera in gedicht | Permalink | Commentaren (9) |  Facebook |

19-08-07

Net even je dag niet hebben ...

 “At the age of 37

she realized she'd never ride

through Paris in a sports car

with the warm wind in her hair” 

Voor de elfendertigste keer die dag luisterde ze met groeiende paniek naar elk woord dat Marianne Faithfull zong.  En voor de elfendertigste keer die dag realiseerde ze zich dat ze nog elf dagen had voordat ze ook zevenendertig jaar oud zou zijn. 

Zeven-en-dertig-jaar. 

Het getal bleef als een dreunend ritme door haar hoofd spoken.

Genoeg!

Ze draaide in haar hoofd de knop om.

Voor de eerste keer in haar leven zou ze iets gewaagd doen. 

Iets gedurfd. 

Iets vreemd. 

Met een rare kriebel in haar buik nam ze de telefoon en toetste het nummer in.

 

*

 

“Weet je wel zeker dat je dit wil doen zoetje?” had haar man die ochtend aan het ontbijt gevraagd.

“Ja.” Had ze beslist geknikt, en ze had er heel overtuigd bij gekeken, ook al had ze een raar gevoel in haar maag, en trilden haar handen, en dacht ze dat ze ging doodgaan.

“Ja, ik weet het zeker, ik moet het nu doen, of nooit.”

“Nog zes dagen ... “ dacht ze huiverend.

“Ok dan.” En hij had haar, met een peinzende blik op zijn gezicht, laten gaan.

 

*

 

Ze had gekozen voor een ‘vrije val’ sprong, vanuit een vliegtuig op 4000 meter hoogte.  Met twee instructeurs naast haar.  ‘Jumpmasters’, zo hadden ze zichzelf voorgesteld.

Ze had er al een ganse dag theorie opzitten, ze had alles geleerd wat ze moest weten: hoe te springen, houding, hoe ze de parachute moest openmaken.  Kortom, ze was goed voorbereid. 

“OK, het is zover, kom hier.” De ene wenkte haar dichterbij, terwijl de andere haar arm nam en haar in de deuropening trok.

Beangstigend diep kon ze de aarde zien, en de kromming, en wolken, de wind gierde genadeloos en de knoop in haar maag werd strakker aangetrokken. 

“Oh, God, waar ben ik aan begonnen?” kreunde ze, bijna onhoorbaar, maar ze wou niet opgeven.

Met de beide jumpmasters naast haar, hun armen stevig in de hare gehaakt, hurkte ze in de deuropening, “Drie, twee, één ... jump!” riep de ene, en ze werd door de opening getrokken, de vrije ruimte in.

Het leek alsof haar maag in de deuropening achterbleef, terwijl haar lijf meegesleurd werd door de beide mannen.  Keihard gilde ze, terwijl de wind oorverdovend in haar oren waaierde.  Ze kon niet blijven gillen, en terwijl ze naar adem hapte voelde ze een kneepje in haar linkerarm, de duim omhoog van de jumpmaster bevestigde dat alles liep zoals het hoorde. 

Ze vermandde zich, ze was volkomen veilig, links en rechts van haar was er iemand die haar kon helpen als het verkeerd zou gaan.

Zoals ze geleerd had spreidde ze haar armen en benen, om zo de weerstand te vergroten, en ze voelde hoe de instructeur aan de linkerkant alleen haar pols nog vast had.  Ook hij had zijn armen en benen gespreid, en ze vielen met ongeveer dezelfde snelheid. 

De man aan haar rechterkant trok haar echter naar beneden, en ze keek zijn kant uit.  Hij had de vrije-val positie nog niet aangenomen, en zijn arm zat nog steeds stevig in de hare gehaakt. 

Ze kneep in de hand van de jumpmaster aan haar linkerkant, en manouvreerde voorzichtig een beetje zodat zij ietsje sneller viel en hij dichter bij de jumpmaster aan haar rechterkant kwam.

Hij greep meteen de arm van zijn collega en bracht zijn gezicht dicht bij het hare.

“Trek je parachute open, hij is niet OK!” zijn stem ging bijna verloren in het lawaai van de wind, maar ze begreep dat er iets niet in orde was. 

Ze stak haar duim omhoog, trok aan het koord en liet de beide mannen los.

Ze zag nog net hoe de ene zijn benen om het lichaam van de andere had geslagen, en zijn parachute had opengedaan, en toen was hij ineens veel hoger dan haar.

“Vreemd,” dacht ze, “hun parachute ging veel sneller open dan de mijne?” en twijfelend keek ze omhoog.

Niks.

Er was geen parachute.

Ze trok nog eens aan het koord, harder nu.

Nog steeds niks.

Met een ruk trok ze het koord keihard uit zijn omhulsel.

Verbaasd keek ze naar het eindje touw dat ze nu in haar hand had.

Dit was niet goed.

Helemaal niet goed.

Dit was ... paniek vulde haar hoofd, ze vergat hoe ze haar positie moest handhaven en tolde stuurloos rond in de lucht.  In doodsangst zocht ze het tweede touwtje dat de reserve zou doen opengaan.  Keihard trok ze aan het plastic handvatje achter in haar nek.

En toen had zij twee touwtjes vast.

Verbaasd keek ze naar het touwtje met het blauwe plastic handvatje, in haar linkerhand, en het touwtje met het rode handvatje, in haar rechterhand. 

Haar hart ging in overdrive, ze had het gevoel dat ze ging stikken, en ze besefte ineens dat ze al die tijd vergeten was om adem te halen.

“O, shit!” bedacht ze, “Ik ga hier toch niet doodgaan zeker?”

De wind gierde nog steeds oorverdovend om haar heen, en de grond kwam beangstigend snel dichterbij. 

Hoeveel tijd had ze nog? 

Het besef dat het helemaal mis ging zorgde ervoor dat ze weer de correcte positie aannam, en om niet naar de grond te moeten kijken rolde ze zich over, zodat ze bijna horizontaal in vrije val naar beneden ging en de zon in haar gezicht priemde.

Ver boven haar hing de parachute met de beide jumpmasters.

Akelig ver al, eigenlijk niet meer dan een wazig vlekje.

Ineens herinnerde ze zich haar gsm.

Trillend en vechtend tegen de wind peuterde ze het toestelletje uit de zak van haar overall. Met grote moeite wist ze het nummer van het parachutecentrum op te roepen

“Het Oost-Vlaams parachutecentrum, waarmee kan ik u van dienst zijn?” vroeg een vriendelijke stem aan de andere kant van de lijn.

“Ja, eugh ... hallo, ik ben aan het neerstorten!  Ik heb alle twee de touwtjes van mijn parachute kapot getrokken en nu stort ik neer.” Gilde ze, half uit doodsangst en half om het gieren van de wind te overstemmen.

“Pardon?” vroeg de stem, met een overdreven Frans accent, dat haar mateloos irriteerde.

“Mens, ik stort neer, als je je niet haast ben ik een hoopje pulp! Is er iets dat ik kan doen om mijn parachute te laten opengaan?” 

“O, ... tja, dat zou ik niet weten mevrouw.  Ik verbind u door met de technische dienst!”

Een paar droge piepjes bevestigden dat ze inderdaad doorverbonden was, waarop een automatische stem vertelde: “Onze kantoren zijn helaas gesloten, u kan voor dringende oproepen terecht op noodnummer 0800-456 859, dank u wel!

Verbluft keek ze naar het toestelletje. 

Dan heeft een mens eens de tegenwoordigheid van geest om bij het neerstorten om hulp te bellen, krijg je dit ...

Tijd om het noodnummer te bellen was er niet meer, ze merkte aan het kleine stipje dat de beide jumpmasters geworden was dat ze bijna aan de grond was. 

Moedeloos stak ze het toestelletje terug in haar overall, spreidde haar armen en benen, als was ze een gevallen engel, en wachtte op wat ging komen.

 

*

 

“Wat een flauwe grap zeg!” met een nijdig gezicht duwde de telefoniste op de knop die de lijn zou doorverbinden en keek naar haar collegaatje.

“Hoezo, wat is er dan?”

“Ah, een hysterisch geval op zoek naar aandacht, ze wou me wijsmaken dat ze aan het neerstorten was, sommige mensen zijn gewoon ziek!”

“Wat heb je ermee gedaan?” vroeg het collegaatje belangstellend.

“Doorverbonden met het automatische antwoordapparaat van de technische dienst, daar is nu toch niemand en dan was ik ervan af.”

“Hi, hi,” lachte het collegaatje, en samen waren ze het er roerend over eens dat sommige mensen toch echt wel te gek waren om vrij los te lopen.

 

*

 

De parachute met de twee jumpmasters was nu nog slechts een piepklein stipje boven haar.  “Vreemd,” dacht ze nog, “Hun parachute is al een eindje weggezweefd.”

Ze begon te lachen, “Wat ben ik toch een kip zeg, dat is de wind natuurlijk!” en ze was bijzonder ingenomen met zichzelf omdat ze dat wist, ondanks het gegeven dat ze binnen dit en enkele ogenblikken een hoopje pap op de grond ging zijn.

“Goh ... waarom zie ik mijn leven niet als een film voor mijn ogen?”

Ineens was er een oorverdovend lawaai, ze voelde overal prikken en porren terwijl ze door de kruin van een boom heen viel.

Even bleef ze met haar nutteloze parachute haken aan een tak, voor deze afbrak, met een doffe smak viel ze door het struikgewas.

De klap was onbeschrijflijk.  Alles deed een fractie van een seconde pijn, meer pijn dan ze kon verdragen.  En toen werd het zwart.

 

*

 

“Bel de ambulance!” in paniek kwam één van de instructeurs binnenvallen in het kantoortje van de telefonistes.

“Waarom? Wat is er gebeurd?” vroeg de jongste, maar de oudste had de tegenwoordigheid van geest om de telefoon te nemen.

“Een van onze cursisten, een jonge vrouw nog, haar parachute is niet opengegaan! Bel de ambulance!” Gilde hij, de wanhoop en het afgrijzen stond op zijn gezicht te lezen.

“Oh, God!” mompelde de jongste, “Dat is die vrouw die net gebeld heeft!”  Ze kon wel door de grond gaan van schaamte, en ze kreeg een wee gevoel in haar buik.

 

*

 

“Het is een mirakel dat ze die val overleefd heeft”, hadden de dokters gezegd.

En nu lag ze daar.  Ze had een paar breuken opgelopen, maar verder was het een wonder dat er geen inwendige organen geraakt waren.

De val door het bladerdek en op drassige kleigrond hadden haar leven gered.

“Waarom wordt ze dan niet wakker?” had hij gevraagd?

“We weten het niet.” was het antwoord.

Er was geen medische reden waarom ze niet zou ontwaken uit haar slaap.

“Het zou kunnen dat haar geest ervan overtuigd is dat ze dood is, en dat ze daarom niet bijkomt.” Had een weifelende arts gezegd, maar hij wist het niet zeker, “De mens is een complex wezen, het is niet alleen het lichaam dat helemaal in orde moet zijn, als de geest niet meewil kunnen wij pillen geven en wonden verzorgen zoveel we willen, dan haalt niks iets uit.”, hij had met een vreemde blik op zijn gezicht nog een keer haar pols gevoeld, hem een bemoedigende schouderklop gegeven, en was verder gegaan.

Hij zat al vijf dagen naast haar bed.

Morgen zou ze jarig zijn, en met weemoed dacht hij terug aan al de jaren die ze al samen beleefd hadden.

Elf jaar samen.

Twee kinderen.

Lief en leed gedeeld.

Hij kende elke vezel van haar lijf, hij kon voorspellen hoe ze zou reageren als er iets gebeurde, hij wist hoe ze ’s ochtends leunend tegen het aanrecht haar eerste kop koffie dronk, hoe ze een boterham smeerde en hoe ze een douche nam.

En de gedachte dat hij haar nu kwijt zou raken was meer dan hij kon verdragen.

“Kom terug liefje, kom alsjeblieft terug.” Smeekte hij fluisterend, terwijl hij in haar hand kneep.

 * 

“At the age of 37

she realized she'd never ride

through Paris in a sports car

with the warm wind in her hair” 

Het gekende muziekje wekte haar uit een diepe slaap, ze herinnerde zich vaag een vreemde droom, iets over parachutespringen, en neerstorten.

“Oh, God, wat een nachtmerrie zeg!” kreunde ze zacht terwijl ze in zijn hand kneep.

Ik ga dat muziekje toch eens moeten veranderen, altijd datzelfde om bij wakker te worden steekt ook tegen, dacht ze.

“Liefje?  Ben je wakker?”

“Mmmm ....”

“Vreemd” dacht ze, “ik voel hier precies iets onder mijn neus, en mijn lijf doet zeer en” ... Ze opende haar ogen en zag haar man naast haar zitten.  Zelf lag ze in wat onmiskenbaar een hospitaalbed moest zijn.

Geschrokken probeerde ze overeind te komen.

Pijn!

Veel pijn!

“Sssst, stil maar.” Haar man duwde haar voorzichtig terug dieper in de kussens.

“Je hebt een sprong van 4000 meter hoogte overleefd, je parachute ging niet open, er zijn wat ribben gebroken, dat zal pijn doen als je wil ademen.  Probeer je gewoon maar rustig te houden.” Haar man vertelde zo rustig hij kon wat er gebeurd was en wat ze had.

Peinzend bleef ze liggen, dus toch geen nachtmerrie. 

Ze overliep haar herinnering.

Ze herinnerde zich de val, en de knal toen ze de grond raakte.  Hoe was het mogelijk dat ze dit had overleefd?

Nadenkend bleef ze liggen terwijl de radio verder speelde.

 “The evening sun touched gently on

the eyes of Lucy Jordan

on the rooftop where she climbed

when all the laughter grew too loud 

And she bowed and curtsied to the man

who reached and offered her his hand

and he led her down to the long white car

that waited past the crowd 

At the age of 37

she knew she'd found forever

as she rode along through Paris

with the warm wind in her hair” 

Het liedje was uit, en ineens lachte ze.  Ze had dan wel nog nooit door Parijs gereden met de warme wind in haar haren, maar ze had een man die aan haar bed wachtte tot ze beter werd, en ze had een sprong zonder reddingszeil overleefd.

Moe leunde ze achterover en sloot haar ogen.

Zeven-en-dertig, geen leeftijd om bang voor te zijn, vond ze ineens, en ze dommelde weer in.

   

13-08-07

Allemaal tegen mij!!!

Wil gaan winkelen.  Stap in nieuwe handige degelijke Duitse gezinswagen.  Auto zegt “bitte tanken”.  Rij naar pomp.  Stap uit.  Dop zit aan verkeerde kant.  Stap terug in.  Rondrijden.  Stap weer uit.  Dop zit vast.  Krijg dop niet los.  Auto is eikel.  Krijgt geen tankbeurt. 

 

Rij verder.  Auto blijft zagen.  Echtgenoot gebeld.  Begint te lachen.  Echtgenoot is ook eikel.  Auto nog steeds geen tankbeurt.

 

Kwaad naar garage gereden.  Garagist komt kijken.  Draait dop los.  Garagist lacht ook.  Komt nog garagist kijken.  Twee mannen lachen.  Twee mannen zijn ook eikels.

 

Terug naar pomp.  Stap uit.  Dop zit nog steeds aan verkeerde kant.  Stap weer in.  Rij rond.  Stap weer uit.  Dop zit nog steeds vast.  Schop tegen autoband.  Teen doet pijn. 

 

Man staat te kijken.  Lacht.  Man draait dop los.  Man is evengoed ook eikel.

Auto is getankt.  Rij naar dokter.  Teen is gebroken.  Dokter luistert naar verhaal.  Dokter lacht.  Dokter is ook eikel.  Ik HAAT tanken!

14:35 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (8) | Tags: tanken, auto, teen breken, onhandig zijn |  Facebook |

01-08-07

Bang, bang.

 

Als ik met dichtgeknepen ogen

wacht tot morgen

wacht tot later

nu even niet leef.

 

Als ik het leven laat glijden

uit mijn bereik

uit mijn zichtveld

het allemaal vergeet.

 

Als ik veilig wegkruip

in donkere schaduw

wacht tot het weer gaat

onopgemerkt blijf.

 

Als ik niet durf bewegen

bang om te leven

bang om na’t wegen

te licht voor jou te zijn.

 

10:27 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (5) |  Facebook |

25-07-07

Nooit niks gedaan ... ?

 

“Je gaat er plezier mee hebben vandaag, ze zijn de ganse voormiddag wild en balorig geweest.”

Mijn collega spreekt me aan in het voorbijgaan, zijn ‘shift’ zit erop, de mijne begint.  Deeltijds onderwijs, wist ik veel, ik dacht dat lesgeven les geven was, niks meer en niets minder.

“Hoe zo, is het zo erg?” vraag ik, mijn hand op zijn arm probeert om hem even stil te doen staan.

“Ah, je kent ze ...” zijn stem sterft weg en hij kijkt me niet aan, “Het zijn geen lieverdjes, zolang ze nog iet of wat meewerken hoor je me niet klagen.”

Peter is tien jaar jonger dan ik, drie jaar afgestudeerd als leerkracht.  En nu al opgebrand, moe om tegen de bierkaai te vechten.  Ik weet dat hij de leerlingen met rust laat als zij hem met rust laten, maar zelf kan ik dat niet, als ze bij mij in de les zijn werken ze mee of stappen ze op.

Het is elke week weer vechten om ze ‘mee’ te krijgen, bij Peter hoeft niks, maar bij ‘die vrouw’ moeten ze werken.  En elke week weer krijg ik verwijten naar mijn hoofd geslingerd.  Dat Peter makkelijker is, en een man, en dat alleen mannen snappen waar het in het leven om draait.

Een heel verschil met mijn groep op dinsdag, die heb ik een ganse dag en die weten dat ze bij me moeten werken.  De groep van vandaag is gesplitst, ze krijgen twee keer een halve dag algemene vakken van Peter en twee keer een halve dag praktijk van mij.  En de donderdag is het het ergste, dan hebben ze ’s ochtends Peter gehad en kan ik er ’s middags meestal niks meer mee doen.  Het rare is dat ze de vrijdag meestal wel naar mijn les komen, en in de namiddag vaak spijbelen.

De schrik slaat me al om het hart als ik kijk waar ‘mijn’ leerlingen zijn.

Alleen Thomas staat nog op het speelplaatsje.  Hij is een rustige jongen, een gesloten boek uit een gezin waar werkloosheid van vader op zoon wordt doorgegeven.  Ik probeer af en toe tot hem door te dringen, hem wakker te schudden, maar tot nu toe zonder resultaat.

“Waar zijn de anderen?” vraag ik.

“Al naar de klas, ze wilden niet wachten.”

“Ah, en jij hebt wel gewacht?  Dat is attent van jou.”  Ik probeer om vriendelijk te klinken, toegankelijk.

“Nee, mijn sigaret was nog niet op, nu wil ik wel meegaan.” Met een overdreven gebaar duwt hij zijn sigaret uit en loopt met me mee naar de klas.

 

Stoer staat Omar met zijn rug voor de deur, hij blokkeert ze zodat ik niet naar binnen kan.

De anderen staan een metertje verder te kijken, schijnbaar emotieloos.

Mijn antennes gaan omhoog, hier klopt iets niet, ze voeren iets in hun schild!

Me boos maken mag ik niet doen, ik moet proberen om ze rustig in de klas te krijgen.  “Goedemiddag mannen, alles ok?” vraag ik glimlachend.

'Goedemiddag', mompelt Kenneth, maar zijn blik blijft op de grond gericht.  Hij is de makker van Giovanni, een jongen die het grootste deel van zijn nog jonge leven in instellingen heeft doorgebracht.

Omar beweegt niet.

Wat nu? 

Ik doe het enige wat ik kan bedenken, ik haal mijn acteer-talenten boven, ik trek een gezicht met hoog opgetrokken wenkbrauwen en kijk overdreven boos.

“Omar!” zeg ik dreigend en ik plaats demonstratief mijn handen in mijn zij.

Met een nonchalante glimlach gaat hij opzij. 

Ik neem de sleutel en wil de deur openmaken als ik merk dat er iets aan de klink hangt. 

Iets wit slijmerigs.

Iets vies.

Mijn hart gaat in overdrive.  Zenuwen en angst gieren door mijn keel, maar ik probeer om daar niks van te laten merken.

“O, God, jongens!” met afschuw kijk ik naar het groepje.  “Wat mankeert jullie toch?”

“Hey!  Wie zegt dat wij dit deden?” Omar komt voor mij staan, hij maakt zich breed maar komt evengoed nog tien centimeter te kort om me recht in mijn ogen te kunnen kijken.

“Jullie staan hier al eventjes, wie zou het anders geweest zijn?”  Ik haal een pakje papieren zakdoekjes uit mijn tas, en haal er een paar zakdoekjes uit.

Met een teleurgesteld gezicht wil ik de klink afvegen.

Giovanni is me voor, “Kom, geef hier, Omar zal dit wel afvegen!” Hij wappert de zakdoekjes voor het hoofd van Omar, die met tegenzin de doekjes neemt en de klink schoonmaakt.  “Ik krijg jou nog wel!” sist hij tussen zijn tanden naar Giovanni.

“Ik krijg jou eerst!” Antwoordt Giovanni dreigend, terwijl hij met zijn borst tot tegen de borst van Omar gaat staan.  “Je bent hier niet in je apenland, wij zijn beschaafd en houden onze manieren!”  de spanning is te snijden tussen de twee.  Thomas, Brahim en Kenneth gaan achteruit.

“Kom, hou op!” met een gebaar haal ik ze uit elkaar en ga tussen hen in staan.

Omar veegt de deur schoon, ik geef hem zwijgend de sleutel en hij opent de deur.

Iedereen gaat binnen.  Giovanni geeft me een blik van verstandhouding, en ik knik hem begrijpend toe.  We zullen niet meer spreken over het voorval, maar ik weet hoe de vork aan de steel zit.

De namiddag kan van start gaan.

 

*

 

 Nota: dit is een autobiografisch stukje ... ik heb niks mooier of lelijker gemaakt, het is gewoon zo gegaan.

 

 

 

 

 

23-06-07

Houd de dief!

 

Verliefd keek Elsje in de ogen van haar Kareltje, het was een super idee van hem om een waterfiets te huren en zo van deze mooie “Indian Summer” te genieten. Peddelend genoot ze van het herfstzonnetje en het zachte gekabbel van het water. Wat verder zag ze nog stelletjes fietsen, maar alleen zij waren op het idee gekomen om een romantisch onderonsje te houden op het eilandje in het midden van het meer.

 

Een dof bonkje kondigde de plaats van aankomst aan en fluks sprong Kareltje van de waterfiets om zijn Elsje veilig aan wal te helpen.

“Kom, neem mijn hand, ik help je wel!”, reikte hij haar de hand om het kleine sprongetje tussen het water en de wal te overbruggen.

Met een meisjesachtige giechel nam Elsje zijn hand en bevallig sprong ze aan land. Kareltje trok de waterfiets zo goed hij kon een beetje schuin tot hoger gelegen grond, zodat deze zeker niet zou wegdrijven, waarna hij in zijn ene hand het dekentje nam, en zijn andere arm rondom zijn meisje sloeg.

In drie grote stappen waren ze tussen de begroeiing en uit het zicht van nieuwsgierige Aagjes verdwenen. Karel duwde het gras en riet wat plat en creëerde een zacht plekje om zijn dekentje uit te spreiden. Met een handgebaar nodigde hij haar uit om naast hem te komen liggen.

 

Net toen Elsje lekker tegen haar Kareltje aan gekropen was werden ze opgeschrikt door een luide plons en het lawaai van water dat door iets groots in beweging werd gebracht.

“De Waterfiets!” Tegelijkertijd wisten ze dat er iets met de fiets aan de hand was, waarop Kareltje meteen rechtsprong en in twee grote stappen door het riet ging kijken wat er aan de hand was.

“Er is iemand met onze waterfiets weg!”

“Kom terug! Crimineel!” riep hij de onverlaat nog na, maar die hield zich Oost-Indisch doof..

Elsje was al naast hem en met een heroïsche duik sprong ze de waterfiets achterna. Ze was jaren na elkaar de zwemkampioene van het dorp geweest en ze ging zo’n stukje krapuul niet met hun fiets aan de haal laten gaan!

Echter, tot haar ontzetting merkte ze dat het water helemaal niet diep genoeg was, haar voeten zonken meteen weg in een dikke laag slijk, waardoor zwemmen onmogelijk was.

 

Proestend en kuchend liet ze zich door haar Kareltje weer aan land trekken, “Waarom deed je dat? Straks ben je nog ziek!” vroeg hij bezorgd.

“Ja, jij wou hier voor eeuwig en drie dagen zitten of wat?” antwoordde ze snibbig, terwijl ze hem kwaad aankeek.

“Maar spring je dan in dit modderige water? Kijk nu toch naar je kleren!” en hij wees naar haar voordien hagelwitte bloesje en haar nette pantalon, die nu onder de modder zaten.

Beteuterd keek ze naar haar kleren, die modder ging er met het beste wasmiddel niet meer uit wassen en het was nog wel haar favoriete bloesje!

 

Terwijl Elsje nog haar snoekduik stond te betreuren, nam Kareltje zijn gsm om de verhuurder van de fietsen te bellen. Terwijl hij zijn verhaal deed haalde hij het dekentje en sloeg het rond Elsje, hij wou niet dat zijn liefste, ook al leek ze nu op een waterkieken, kou vatte!

“Nou, dit is mooi!” met een nijdig gebaar beëindigde hij het gesprek, “Dit geloof je niet!” met een kwaad gezicht keek hij naar Elsje.

 

"Wat hebben ze gezegd? Vertel, vertel?” vroeg ze nieuwsgierig, en ze sloeg het dekentje nog wat beter om zich heen, het was echt wel frisjes zo met die natte kleren aan!

“Wel, de fiets is opgehaald door de mensen van het verhuurbedrijf, ze dachten dat het een verloren fiets was die hier was aangespoeld en dus zijn ze hem komen halen!”

Ongelovig trok ze een boos gezicht, “En nu? Komen ze ons van dit eiland halen?”

“Ja, ze zullen hier zo zijn ...” Zonder op de modder te letten liet hij zich op de grond zakken, en trok zijn Elsje dicht tegen zich aan. “Wat een kip ben je toch hé?” vroeg hij vertederd, “Alleen jij bent zo gek om achter die fiets te springen!” en met een zoen op haar mond toonde hij nog eens hoe lief hij haar vond.

 

“Jef! Kom eens luisteren?  Dit geloof je niet!”

Met een nieuwsgierig gezicht kwam Jef naar zijn collega, om te luisteren: “Ja, vertel het eens?”

“Wel, die fiets die je daarnet van het eilandje hebt opgehaald?  Die was verhuurd aan een koppeltje dat tussen het riet lag ...”

“Ah, en wat lagen die daar dan te doen?” Jef besefte dat het een domme vraag was toen hij ze uitsprak.

“Ja, halloooo, wat dacht je dan?” met een vette knipoog vertelde hij verder, “Maar dat is nog niet alles, weet je hoe oud dat koppel was?”

Jef trok een vragend gezicht en besloot om verder geen vragen meer te stellen.

“Hij is er 68 en zij 79!” Grijnzend ging hij verder met het vastleggen van de bootjes.  “En zij is in het water gedoken en zit nu drijfnat op dat eilandje te wachten!”

Jef stond perplex, van alle sterke verhalen die hij al gehoord had was dit toch wel ... “Jonge, jonge, waar gaat dat naartoe, waar gaat dat naartoe!” 

“Tegen wie zegt ge’t!” stemde zijn collega met hem in, “Ga jij ze oppikken?”

Jef was al bezig om het motorbootje los te maken.

“En neem een handdoek mee!”

 

-~Eind~-

10:13 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (6) |  Facebook |

16-06-07

Vooruit zien(d).

‘k Heb een transparante paraplu

waar ik doorheen kan kijken

om wandelend door een regenbui

obstakels te ontwijken.

 

Als het guur en somber is

trek ik mijn jas toch aan

en dankzij die paraplu

durf ik naar buiten gaan.

 

Regen, wind en hagelbui

kan ik zo trotseren

vooruitziend in een donk’re bui

het kan mij niet echt deren.

09:16 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (7) |  Facebook |

10-06-07

"Vergeetachtig"

“Dat is dan één euro dertig.” Ik betaal de chauffeur en kijk waar er nog plaatsen vrij zijn.  Wat verder zie ik Gustaaf zitten, in gedachten verzonken kijkt hij naar buiten.  We waren collega’s, drie jaar geleden.  Hij werkte voor de technische dienst van het ziekenhuis en deed daar de schilderwerken.  Ik deed de inventarisatie en de opvolging van de vergaderzalen.

De bus vertrekt, en ik wankel tot aan de bank waar Gustaaf zit.

Verrast kijkt hij op als ik aan zijn bank stop, “Maar kijk nu toch! Ons Tineke!”

“Hee, Gustaaf, dat is lang geleden, hoe is’t er nog mee?”

Ik buig me voorover; om hem met een kusje op zijn wang te begroeten, en zet me naast hem neer.

“Goed.” Zeg hij, hij lijkt blij om me nog eens te zien en geeft tevreden een paar klopjes op mijn knie, “En jij?”

“Prima, alles gaat zoals het moet gaan.”

“Da’s wel kind.” zegt hij, en daarna “Ik neem een keer per week deze bus.”

“Oh, hoezo?” vraag ik.

“Tja, …” even blijft het stil, “ ’s Maandags ga ik altijd mijn vrouw bezoeken, die ligt hier in de instelling.”

Verbaasd kijk ik hem aan, “Is ze ziek dan?” De laatste keer dat ik Gustaaf’s vrouw zag was op de receptie voor zijn pensionering, nu drie jaar geleden.

“Wel, ja, …. ziek …. Hoe moet ik het zeggen” Hij kijkt me weifelend aan, “Weet je, toen ik met pensioen ging was ik vaker thuis, en toen begon het me op te vallen dat zij zo vergeetachtig werd”

Ik knik, en luister.

“En toen zijn we eens met de huisarts gaan praten, er zijn wat onderzoeken gedaan en toen was het al vlug duidelijk dat ze een erge vorm van Alzheimer had.”

“Alzheimer!”, echo ik.  Verbaasd kijk ik hem aan.

“Ja, ze werd steeds vergeetachtiger.  Soms ging ze in de keuken om koffie zetten, en wist ze niet meer wat ze daar wou doen, dan begon ze de keukenkastjes te poetsen.  ” Gustaaf zegt het rustig, bijna zonder emotie.

“En hoe komt ze nu in die instelling?”, vraag ik, “Gaat dat zo vlug dan, die achteruitgang?”

“Bij haar wel”, zegt hij, “geen twee mensen zijn gelijk, bij de ene gaat het vlug, en bij de andere traag.”

Ik knik begrijpend, dit vind ik zo erg voor Gustaaf.  Ik herinner me zijn vrouw als een flinke dame, een beetje gezet, maar heel koket en met een lieve lach op haar gezicht.

“En je gaat haar altijd alleen bezoeken?”  Ik probeer me voor te stellen hoe eenzaam Gustaaf zich dan moet voelen.

“Nee, nee, op woensdag gaat onze zoon mee, en op zondag de dochter, ik bezoek haar meer dan één keertje per week.” Hij zegt het alsof hij zichzelf wil verontschuldigen.

“Hoe gaat dat dan? Ze herkent je toch nog?”

Gustaaf kijkt me diepbedroefd aan, ik merk een sombere rimpel in zijn ooghoeken die er vroeger niet was.

“Nee, … vandaag vroeg ze wie ik was.  Ze dacht dat ik de tv kwam herstellen.” Gustaaf kucht, om de krop in zijn keel weg te krijgen.

Ik zie dat een traantje een zilveren spoor van zijn ooghoek naar zijn neus getrokken heeft.  Een druppeltje bengelt triest aan het puntje van zijn neus.  Ik voel in mijn handtas en haal een papieren zakdoekje boven, ik geef het hem, en hij snuit – luid toeterend – zijn neus. Zijn hoofd is tussen zijn schouders gezakt, en hij kijkt naar de vloer van de bus.

“Ik vind het zo erg voor je Gustaaf” fluister ik, en leg m’n hand op z’n knie.

Hij legt zijn hand bovenop de mijne, en geeft er een kneepje in “Ik ook kindje, ik ook …”

Zwijgend blijven we zo even zitten.

“Hoe gaat dit verder gaan?” vraag ik stilletjes.

“Wel, de dokters geven haar nog drie jaar” zegt hij “En dat is lang, om afscheid te nemen.” Hij kijkt me weer aan, “In ’t begin maakte ik plakboeken met foto’s van vroeger, omdat ik dacht dat ze me zo zou blijven herkennen en dat hielp even, maar nu niet meer”

Ik weet niets meer te zeggen, kan niet anders dan knikken.

“Nu geef ik haar eten en kam haar haren, meer kan ik niet meer doen voor haar.”

“Dat je daar de kracht voor hebt.” zeg ik stilletjes.

“Ach, je bent altijd sterker dan je zelf denkt.” hij haalt z’n schouders op “Een mens moet vooruit, stilstaan is achteruitgaan.”

“Da’s waar” zeg ik “maar toch …”

De bus stopt, Gustaaf moet er alweer uit.

Hij trekt zich recht aan de stang naast onze zitplaats, en vraagt: “Zie ik je volgende week weer?”

Ik knik, en probeer naar hem te lachen. “Normaal wel, ik neem maandag altijd de bus naar huis.”

Hij lacht terug, “Dan hebben we een afspraak, bij leven en welzijn, tot volgende week!”

“Tot volgende week.”, herhaal ik.

Hij buigt zich nog voorover om me een zoentje te geven, en stapt af.

Hij blijft staan tot de bus doorrijdt en steekt zijn hand omhoog vooraleer hij de straat oversteekt.

Ik zwaai terug, en blijf stilletjes.

Je kan het niet zien aan de mensen …

 

20:58 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |

26-05-07

eerste communicantjes

Veel te blote kindervoetjes

Trippeltrappen op’t terras

Ochtendfrisse zonnestraaltjes

Glinster-druppel-dauw-groen-gras

 

Koffie voor de grote mensen

Melk of sap voor kleine spruit

Broodjes, vers, en échte boter

Haast je nu, komaan, vooruit!

 

Kleertjes aan en haartjes kammen

Schoentjes slingeren op de grond

Trots en fier tot aan de kerk dan

Vlinderkusje op mijn mond.

 

Kindje, klein en toch zo groot al

Zo flink staat zij fier vooraan

Kruisje van meneer pastoor

Hostie, zingen, en ’t is gedaan.

 

Tijd gaat snel voor grote mensen

Vlinderkusjes gaan voorbij

Kleine kindjes worden groter

Je laat ze los, het hoort erbij.

 

17:15 Gepost door Dulcera in gedicht | Permalink | Commentaren (5) |  Facebook |

16-05-07

Samen monkelen

 

 

 

Monkelende fonkelogen,

proostend over ambernat.

Zielsverwanten over jaren,

herinnering op albumblad.

 

Zomerzon doet kleuren dromen,

stemmen zwerven, keren weer.

Herinnering voor latere tijden,

doen verlangen naar veel meer.

 

Ik wil je echt nog geen “Dag!” zeggen,

'k hoop dat je steeds hier bij me blijft.

Samen klinken bij verhalen,

is wat ons steeds weer samendrijft.

22:43 Gepost door Dulcera in gedicht | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

08-05-07

Bewaarengel: Op de goede weg!

Geschrokken kijk ik mijn bewaarengel aan, "Waarom verwittigde je me niet?", zeg ik verwijtend, "Anders ben je zo vlug om je overal mee te bemoeien?!"

"Hee, ik trek hier mijn handen van af hoor!", zegt hij, terwijl hij parmantig zijn luier goed schikt. "Ik heb wél gezegd dat je erg goed op de pijlen moest letten, want dat je vlug een verkeerde afslag neemt, maar dat een normààààààl mens hier niet kan missen!" Hij rolt vervaarlijk met zijn ogen terwijl hij “normààààààl” zegt.

“Awél,  Ik heb toch goed gekeken!”, zeg ik kwaad, “Ik was alleen wat in de war!”

Verklarend leg ik uit: “Hoe kon ik nu weten dat een afrit die op de kaart naar links gaat in realiteit naar rechts zal gaan wegens het klaverbladprincipe? Hee? Vertel me dat eens?”

Vragend kijk ik hem aan, maar hij blijft verdacht stil.  “Ik dacht dat Nederland ook een stukje Duitsland had gekregen met de oorlog, en dat het strakjes wel weer terug zou overgaan in Nederland, in België is er toch ook een stukje Duitsland?”

Even kijkt hij me peinzend aan, “Jij denkt te veel.” stelt hij dan vast.

Ik kijk nijdig terug.

Met zijn armpjes demonstratief gekruist gaat hij verder: "Dus, ik ga even bij de Almachtige kijken of er nog nieuws is, ik laat je heel even alleen, en je steekt zoiets uit?", bewaarengel kijkt verbluft.

“Hee, jij wordt verondersteld van me in het oog te houden!”, verdedig ik me.

“Ja, maar je hebt toch zelf nog wat gezond verstand?”, zijn luier zakt er bijna van af.

“Nee! “ zeg ik opstandig, “En tenanderen, als ik nu zin had om even in Duitsland rond te rijden?” uitdagend kijk ik hem aan.

“Hà! Je doet maar hoor!” verontwaardigt kijkt hij me aan.  “Ik had natuurlijk kunnen weten dat jouw eerste rit op de autosnelweg verkeerd moest aflopen, maar dit is er toch een beetje heel erg veel over!”

“Wou jij rijden anders?” boos snauw ik hem toe, “Met de trein duurt het veel en veel te lang om in Nijmegen te geraken, er zat niks anders op dan de auto te nemen, je wéét toch dat ik het anders nooit had gedaan?”

“Ja, maar een normààààààl mens gaat eerst een tijdje gewoon autosnelweg rijden vooraleer hij aan een rit van drie uur begint!” Alweer legt bewaarengel de nadruk op ‘normàààl’

“Wat wil je daarmee zeggen?  Hé?  Dat ik niet normaal ben of zo?” Ik word steeds bozer en bozer.

“Pffft, ja, je bent normaal hoor, A-B-normaal!” en met een zeer uitgestreken gezicht gaat hij midden op het dashbord zitten.

Ineens dringt de absurditeit van dit gesprek tot mij door en ik schiet in de lach.  “Moet je ons bezig horen: een opgewaardeerde kwelduivel die bewaarengel speelt, en een mama van 36 die engeltjes ziet, ermee babbelt en toch niet in een dwangbuis eindigt!”

“Opgewaardeerd, opgewaardeerd, gepromoveerd ja!” en hij schiet ook in een aanstekelijke schaterlach.  “Ja, eigenlijk zijn we wel een tikkeltje een gek stel!”

“Blij dat we het toch ergens over eens zijn,” lach ik mee, “maar hoe komen we nu weer op de goede weg?”

“Omdraaien !”, zegt bewaarengel, “Maar wel via een afrit !”  Hij zegt het half-plagend.

“Ja, ik zal hier wat spookrijdertje gaan spelen !”, het idee alleen al doet me grinniken.

“Wacht,” zegt hij, “ik ga eventjes iets proberen flikkeren bij de Almachtige, geef me één secondje en dan zet ik jou wel weer op de goede weg!”

Met een plopje verdwijnt hij, en ik rij rustig verder terwijl ik uitkijk naar de eerste afrit. 

Dan zal ik als mens eens proberen om wat minder saai te zijn, en eens iets gedurfd te doen, rij ik hopeloos verkeerd, mijmer ik.

Tja, een normaal mens gaat eerst eens oefenen vooraleer ze aan de autosnelweg beginnen, maar ik moest natuurlijk meteen een rit  van ruim 300 kilometer plannen, tot in Nijmegen.

Hoe kon ik nu weten dat een afrit die op de kaart naar links gaat, op de autosnelweg rechts ligt?

En dus had ik gewoon afgewacht en verder gereden, doorheen Venlo, in de hoop dat er wel een afrit naar links zou komen.  Toen ik de grens passeerde voelde ik heel eventjes een knoop in mijn maag, maar België heeft ook een stukje Duitsland, dus erg druk maakte ik mij er niet om.

“Ik heb het hoor!” hij verschijnt vlak voor mijn snoet, “Gewoon terug tot aan het knooppunt !  De Almachtige ging zorgen voor een makkelijke en rustige doorgang, en dan ben je’ r binnen een half uurtje!” hij kijkt er erg slim bij.

“Zo snel al ! Dat valt goed mee !” vind ik, “ Maar eugh … heeft zo’n God dan niets beters te doen?” vraag ik, terwijl ik de afrit neem.

“Vertelde ik al dat je een slecht karakter hebt?” lacht hij, en vliegt een pestrondje rond mijn hoofd, zijn aureooltje zakt er alweer scheef van.

 “Dik, lelijk mormeltje!” zeg ik, “Wat zou ik toch zonder jou doen?”

“Tot in Berlijn doorrijden zeker?”, weet hij, en hij trekt nog een laatste keer zijn luier recht, terwijl hij me een vette knipoog geeft.

14:20 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |

01-05-07

Bewaarengel:"Jij bent saai!"

“Jij bent saai!”, hij stelt het vast.

”Tja, ik kan toch niet continu met je spelen?”

“Oh, en waarom dan niet?”

“Omdat ik moet werken, tiens!”

Peinzend vliegt hij een rondje door de kamer.

“Waarom?”, vraagt hij, landt achteraan mijn hoofd, en begint mijn haar te vlechten.

“Omdat dat moet, ik moet productief zijn enzo!”  Ik wuif hem weg met mijn hand in de hoop dat hij ophoudt.

“Waarom?”  Hij houdt niet op, duikt net op tijd weg om mijn zwaaiende vuist te ontwijken en heeft ondertussen mijn halve pruik al in de knoop gelegd, ik zie er nu vast verschrikkelijk uit.

“Omdat ik moet geld verdienen, enzo!”

Hij vliegt plots tot vlak voor mijn neus.  Zorgelijk kijkt hij me aan.  Ernstig.

“Ben je arm?”

“Maar neen!  Maar leven kost geld, en ik wil sparen!  Voor later!” Waarom snapt hij dat nu niet?

“Wanneer ga je dan pret maken?”, vraagt hij, zijn luier zakt af en hij let er niet op.

“Ik maak best veel pret toch?”, vind ik.

“Hmmm….” Twijfelend kijkt hij me aan, merkt dat zijn luier afzakt en trekt hem met blozende wangen weer op.

“Oh, ik dacht dat engeltjes geslachtsloos waren?”, mijn terloopse opmerking treft doel, en hij draait zich vliegensvlug om om zijn lendedoek op te trekken.

“Je wijkt af van het onderwerp.”, weet hij, sjorrend aan de weerspannige doek.

“Welk onderwerp?”, vraag ik met een onschuldig gezicht, terwijl ik rustig verder schrijf.

“Dat je saai bent!”, zeurt hij.

“Hmmm.” Ik reageer niet meer, probeer onverstoorbaar te zijn.

“Je bent het écht!”, herhaalt hij, neemt een snoekduik vanaf de bureaulamp, landt op mijn hoofd en wurmt zijn rechtervoet in mijn linkeroor.

“Hou daarmee op!  een oor dient daar niet voor”, zeg ik streng.

“Als je iets spannends doet!”

“Ok, weet je wat?  Als je ophoudt, ga ik me strakjes inschrijven voor die cursus buikdansen, is dat spannend genoeg voor je?”

“Yiehaaaa!”  Enthousiast fladdert hij tot aan het plafond en terug “We gaan iets spannend en avontuurlijks doen!”

“En laat me nu werken,” mompel ik terwijl ik me over mijn blad buig “flink geschapen trouwens,”, merk ik nog op. “voor een bewaarengel tenminste ...”

Blozend is hij eventjes zijn kluts kwijt.  Jammer genoeg niet lang genoeg, “Slecht karakter!” vindt hij, en fladdert met opzet mijn paperassen overhoop.

“Oh, lief mormeltje!” Ik knuffel hem eventjes flink.  “Wat zou ik toch doen zonder jou?”

“Sterven van verveling?” Vraagt hij, terwijl hij mijn gevlechte pruik nog meer in de war trekt.

“Daar heb je’n punt!”, beaam ik. 

‘Iedereen zou er zo eentje moeten hebben’, denk ik nog, om dan toch maar om een kam te gaan en te proberen om de knopen weer uit mijn haren te krijgen.

22:27 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |

10-04-07

Jakkie-luchtjes en Kriebelgeurtjes

 

De zon schijnt niet, ze steekt.

Al van zes uur deze ochtend ben ik hier aan het werk, samen met drie anderen, kasseiën leggen. Wat vijf jaar geleden nog stoer had geleken is nu een stomme keuze. Ik wou vrouw in een mannenwereld zijn, ik zou die binken wel eens een poepje laten ruiken, ik zou bestrater worden.

Nu ben ik het ook, al vijf jaar leg ik klinkertjes en kasseitjes op straten en opritten. De laag eelt op mijn knieën is niet meer weg te schuren, mijn handen zijn ruw en mijn nagels altijd onverzorgd, maar dat is het ergste niet.

Het ergste is de geur van mijn “werkmakkers”. Op maandag gaat het nog, dan is het zondagse bad nog niet zo ver weg. Maar zo rond woensdag wordt de geur verschrikkelijk.

Ik voel een stroompje over mijn rug glijden en weet dat ik nu zelf ook niet te fris ruik. Natte plekken onder mijn armen, druppeltjes onder mijn neus. Ik ruik, dat weet ik, maar het is niet verzuurd. Deze ochtend nam ik een douche en deze avond neem ik weer een heerlijk verkoelend badje, nooit of te nimmer wil ik ruiken zoals die mannen.

Nooit.

Het ergste is het als ik eerst nog een eindje moet meerijden met hen, met z'n drieën dicht bij elkaar samengepropt in een bestelwagentje. De geur is onoverkomelijk en dringt overal door. Mijn haren, mijn kleren, mijn poriën raken ervan doortrokken. Zurig, vies, een geur die niet te ontwijken is.

Verschrikkelijk.

“Hey, dotje!” Een van mijn collega’s roept me: “Jij ook een fris pintje?” Uitnodigend houdt hij het flesje omhoog.

“Ja, ik kom.” Fluks veer ik recht, en loop naar hem toe.  Ik merk dat zijn ogen me volgen.  Zijn blik stopt ter hoogte van mijn borst, en blijft daar.  Ik weet dat hij nu naar het wiebelen van mijn borsten kijkt, en voel afkeer.  Afkeer voor deze mannen, totaal gespeend van finesse, opvoeding, tact, fijngevoeligheid.

“Awel, zitten de konijnen los achter den draad?” zijn opmerking voelt als een zweepslag.  Wat ben ik eigenlijk voor deze mannen?  Een object?  Waarom dacht ik ooit dat ik één van hen kon zijn, hoe onnozel en naïef was ik wel niet?

Ik neem het flesje bier aan, en onstuitbaar dringt zijn geur diep in mijn neusgaten.  Ik hou het flesje bier onder mijn neus, en de geur van het frisse pintje maskeert eventjes de zure zweetlucht.

Ik drink.  Het biertje voelt koel, ik voel hoe het tot in mijn keel loopt, verfrissend.

“We zullen maar doorwerken zeker?” zeg ik, “Nog twee uurtjes en het zit er weer op voor deze week.”  Ik ga terug naar mijn werkplekje, en leg de volgende rij kinderkopjes.  We zijn goed opgeschoten vandaag, nog een paar dagen en het pleintje zal klaar zijn.

 

*

 

Het is al donker, de lucht voelt knisperend fris, de typische lentelucht, die diep in je longen dringt.

Tiktakkend balanceer ik mijn weg over de kasseisteentjes op het pleintje waar we de auto parkeerden.  De straat is onlangs opnieuw aangelegd.  Rustiek, die kinderkopjes, dat wel. Maar zo onhandig op mijn laarsjes met kokette hakjes.   Hij schuift zijn hand onder mijn elleboog om me te ondersteunen en knipoogt even.

“Heb je nog geen spijt dat je niet die makkelijke schoenen aandeed?”

“Nee hoor, ik wil er vrouwelijk en lady-like uitzien.  Daar horen nu eenmaal hakjes bij.” Zeg ik beslist, “Het is maar een klein eindje meer naar het restaurant en voor de rest van de avond is het dan toch aan tafel zitten.”

Begrijpend knikt hij en stopt even om me tegen zich aan te trekken.

“Heb je geen kou dan?” En met een uitnodigend gebaar houdt hij zijn jas open zodat ik even tegen hem aan kan kruipen.

“Hmm, jij bent lekker warm.” zijn geur dringt meteen diep in mijn neus. Een mengeling van kruidig en pittig, mannenlucht. Hij vouwt de jas om me heen en slaat zijn armen rondom mij zodat ik dicht tegen hem aan sta, warm en geborgen, zijn kin op mijn kruin.

“Je ruikt lekker.” Snuffel ik tevreden en hou mijn hoofd omhoog om hem een kus te geven.

Hij neemt de zoen graag in ontvangst.  Plagend laat ik een hand tussen de knoopjes van zijn hemd verdwijnen, tot in de zwarte haartjes op zijn borst.

“Kom, strakjes zijn we te laat.” Hij haalt een hand door mijn haar, en duwt me weg.  Ik strijk zijn hemd terug glad, en stap met tegenzin uit zijn omarming.  Zijn geur blijft om me heen hangen en bezorgt me kriebels in mijn buik.

“Hmm, ‘k heb eigenlijk zin om iets anders te gaan doen nu ... “ Mompel ik, net luid genoeg opdat hij het hoort.

Hij lacht, “De nacht is nog jong, wie weet, later?”, knipoogt hij.

Met zijn arm om mijn schouder gaan we verder, de geur blijft om me heen hangen, ik geniet.

23:23 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |

01-04-07

Lief klein konijntje wil paashaasje zijn?!

Er was eens, niet eens zo hier heel ver vandaan

(Als je wil kan je er zelf eens heen gaan,)

En wit, wollig lief konijn,

Dat toch zo graag een paashaas wou zijn.

 

Dan kon het, zaaaaalig, ieder jaar;

De mooiste, lekkerste, eitjes brengen naar:

Wijze mensen, domme mensen

Volwassen, en ook onnozele mensen.

Leuke kindjes, stoute kindjes,

Grote en ook kleine kindjes

 

(Even heel diep adem halen,

en nu verder, zonder dralen!)

 

Diep en ernstig dacht het na,

En wist, “Als ik nu eens naar de Paus toe ga?

Ik kan wel eeuwig blijven dromen ...

Maar alleen zo, kan ik mijn wens ook uit laten komen!”

 

De paus, hij blijft tenslotte maar een mens,

had wel oren voor dit  konijntje’s wens.

Waarom ook al dat gediscrimineer,

Een haas is echt niet zo veel méér!

Hij sprak met de klokken in zijn hoge toren

En hop! het allereerste Paaskonijn was herboren!

 

Dus, zie je dit jaar, huppelend en blij.

Een wit wollig beestje met eitjes erbij.

Krab niet in je haar “o, jee, droom ik nou?”

Het is ons konijntje, naarstig in touw.

 

(Gedaan!)

 

 

*nota van de schrijfster: dit is nu eens pure onnozelheid en onzin, onder het motto "Ikmaggekiktochookeensonnozeldoen ?!?" dus niet -langs geen kanten!- ernstig te nemen!

 

En voor iedereen die dit "literaire hoogstandje" tot op het eind gelezen heeft:

Zaalig paasfeest! (en veeeeeeeeeeeeeeeel eitjes!) gewenst!

12:51 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (2) | Tags: pasen, paashaas, paasklok, paasei, paus, gedichtje, onnozelheden |  Facebook |

14-03-07

Taalbarriére

 

Het was razend druk in het bureau dat de planners deelden met de verkoop-binnendienst. Door het slechte weer had de ene na de andere chauffeur problemen: in de file, motorpech …

De planner wist gewoon niet waar eerst kijken, en bij grote drukte gebeurde het wel eens dat er telefoontjes doorgeschoven werden naar de “meisjes” van de verkoop-binnendienst.

Ook die keer.

De planner schakelde een chauffeur naar me door met de vraag “Tina, luister jij even naar Nico, dat is één van onze Nederlanders, hij moet in Knokke een klein pakje gaan leveren op een privé-adres.”

Ik nam meteen op: “Goedemiddag, met Tina.”

“Ja, eeh, ’t is Nico hier.” hij klonk nogal opgejaagd.

“Vertel eens Nico, wat kan ik voor je doen?” vroeg ik vriendelijk.

“Nou, ik moest toch zo’n klein pakje gordijnstof gaan leveren in een appartementje?”

“Ja.” Ik zag zijn ritplanning al op mijn computerscherm verschijnen “En? Lukt dat niet? Vind je het adres niet?” Terwijl ik met hem babbelde tikte ik al het adres in in het computersysteem.

“Toch wel, ik sta hier voor de deur, maar dat wijffie neemt me lelijk in de maling!”

“Huh, hoezo?” vroeg ik verwonderd. Er waren al chauffeurs op dat adres geweest, en die waren steeds vriendelijk ontvangen.

“Nou, ik heb al zeker drie keer aangebeld, en dan zeg ik netjes: ’t Is van het transportbedrijf met een pakje voor u, maar dat wijffie blijft maar vragen: wie? wie?“

Even zat ik perplex, en ik had al mijn zelfbeheersing nodig om Nico rustig uit te leggen dat “Wie, wie?” gewoon Frans is voor “Ja, ja.” Het lukte me zelfs om te wachten met lachen tot die brave man de telefoon had neergelegd.

 

Sinds die dag werd er werk gemaakt van een basiscursusje Frans voor de Nederlandse chauffeurs die al eens een pakje aan de Belgische kust gingen leveren …

20:43 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (6) | Tags: frans, pakje, kust, vervoer, chaufeur |  Facebook |

26-02-07

Deel 7: De Orde van de Grijze Steunkous.

De Orde van De Grijze Steunkous, deel zeven: Naar Calcutta!

 

Met een nerveus klikje klapte de koffer van zuster Dulcinea dicht. Ze had alles ingepakt. Nog een laatste keer overliep ze haar lijstje, zette haar brilletje op het puntje van haar neus en overlas alles nog eens goed. Met een scherp gepunt potloodje vinkte ze alles af.

De reispas en de malariatabletten lagen klaar bij haar handbagage, de muggenmelk en zonnecrème zaten in haar koffer. Kleren netjes ingepakt, voldoende grijze kousen, ... ze was er klaar voor!

De bagage stond netjes in het midden van het tapijtje op de vloer van haar kluis.

“Kluis” zo’n triest woord voor wat de komende weken haar thuis niet meer ging zijn. Alhoewel ze er naar uitkeek om de oude vrienden weer te zien, had ze toch een beetje een vreemd gevoel bij het besef dat ze hier zo lang niet meer zou bidden en lezen en slapen.

Ze maakte nog een laatste kruisteken en sloeg gezwind haar schoudertas om, pakte de koffer stevig vast en ging de kamer uit.

*

 

“Anneke! Anneke” het hysterische gegil van Caroline wekte haar op ruwe wijze uit zoete dromen.

“Heu? Watte? Waar brandt het?” met een verward hoofd kwam An vanonder het dekbed piepen.

“Ik vind mijn reispas niet meer!” totaal overstuur stond Caroline naast het bed.

“Gisteren had ik hem nog, hij lag gewoon bij de rest van mijn handbagage en nu issie weg!”

An ging wat rechter zitten, “Watte?” herhaalde ze, ergens paste haar vriendin totaal niet in de zalige fantasie die ze net nog had.

“Reispas! Gisteren ok! Nu foetsie! Verdwenen! Weg!”

“O, datte ...” mompelde An, ze liet zich weer zakken en trok het dekbed over haar hoofd.

“Hoezo, datte?” ontzet trok Caroline het dek weer weg.

“God zeg, die zit in de handtas van ons Inge, zij vond dat jij daar niet mee te vertrouwen was, ze heeft je ticket trouwens ook.” An trok het dekbed weer uit de handen van Caro en wou er weer onder kruipen, maar dat was buiten Caro gerekend, zij trok het dek met een haal van haar bed, “Niks van, opstaan jij, ik ken dat! Je kruipt er weer onder en over een uur sta je pas op en komen we door jou te laat in de luchthaven!”

“Ca-ro-hooo!” gilde An, “Geef me mijn deken terug! Ik vries hier doo-hooo-hoood!”

“Ja, vast wel, het is hier ocharme 23 graden, jij vriest voorlopig nog niet dood, het is zomer!”

“Kreng! Geef me mijn deken teru-hu-hug!” An zette zich schrap om een snoekduik in de richting van Caroline te maken, maar werd onderbroken door Kristel die op het tumult was afgekomen.

“Wat is hier aan de hand zeg?” Kristel stond verbaasd te kijken hoe haar twee vriendinnen ruzie maakten.

“Caroline kan me niet met rust laten!” pruilde An met een sip lipje terwijl ze beschuldigend naar haar vriendin wees.

“Oh! Dat is zo heel erg niet waar!” boos kruiste Caroline haar armen voor haar borst en keek kwaad naar An, “ Het is allemaal je eigen schuld, slaapkop!”

“Zeg? Wat is dat hier voor lawaai?” Inge en Tania kwamen ook al poolshoogte nemen.

“Ah, onze twee kempkiekes he? Weer ruzie voor nikske.” Kristel haalde haar schouders op, “Goed, nu we toch allemaal wakker zijn kunnen we net zo goed samen ontbijten... Wie gaat er naar de bakker?”

 

*

 

“Ik zou zo graag met jullie meegaan!” broeder Petrus nam afscheid van zuster Dulcinea en de vijf vriendinnen. Hij had hen keurig op tijd naar Zaventem gebracht. Het gezelschap had nog ruim de tijd om in te checken. De DC10 naar Dacca zou om acht uur opstijgen voor een reis van maar liefst tien uur. Als alles vlot verliep zouden ze om 6 uur deze avond de aansluiting op Zia International Airport in Dacca halen, om dan na nog eens twee uurtjes in de lucht te landen in Calcutta, waar ze begroet zouden worden door de zusters en de weeskinderen van het klooster.

“Ja, dan had je maar moeten deelnemen aan de wedstrijd hé?” knipoogde Kristel, ze had de broeder meteen in haar hart gesloten, ze hield wel van zijn joviale karakter.

“En met een habijt op het podium gaan staan? Onze deken zou ter plekke een hartaanval krijgen!”

“Hee, we zijn toch verpleegsters?” Caroline kon het niet laten om mee te gibberen, “We reanimeren die mens meteen hoor!”

“Daar twijfel ik niet aan.” hij knipoogde naar Kristel, “Maar volgens mij kunnen ze in dat klooster meer aanvangen met vijf leuke verpleegsters dan met een bejaarde spekpater.”

“Ben je naar complimentjes aan het vissen broeder Petrus?” vroeg Tania lachend, “Voor mij ben jij helemaal nog niet bejaard, hoogstens een beetje belegen!”

De vriendinnen schoten in de lach bij Tania’s droge uitspraak en broeder Petrus lachte vrolijk mee, hij kon wel om met de humor van deze jonge meisjes.

Zuster Dulcinea vond het tijd om in te grijpen, “Allez vooruit, we kunnen hier nog uren blijven palaveren, maar dan missen we ons vliegtuig!” als een moederkloek nam ze Caroline en Kristel bij de arm om ze met hun neuzen in de juiste richting te zetten, “Als we nu inchecken kunnen we misschien nog zelf de plaatsen kiezen en hebben we meer beenruimte.”

“Dat is verstandig gesproken!” vond broeder Petrus, “Het wordt inderdaad lang vliegen!”

En met een laatste zedige zoen op de wang van ons spekpatertje nam het gezelschap afscheid.

 

*

 

Het inchecken ging heel erg vlot en het vliegtuig vertrok mooi op tijd. De vlucht verliep voorspoedig.

 

Ik zou hier even kunnen stilstaan en meer vertellen over hoe Caro verliefd werd op de knappe steward die de drankjes bracht of hoe Kristel de stewardessen zo gek kreeg om zuster Dulcinea tot bij de piloten te krijgen, maar dat ga ik nu even niet doen ...

Ook dat het nog even flink rennen was om de aansluiting op Zia International Airport in Dacca te halen, ga ik hier niet tot in detail neerschrijven.

Voor de fans wil ik nog meegeven dat de steunkousen van zuster Dulcinea gedurende de ganse vlucht stevig stand hadden gehouden en zelfs toen er even flink moest doorgestapt worden op het vliegveld – dat trouwens onmenselijk groot was en waar ze alleen maar met de hulp van diezelfde knappe steward waar Caro zo gek op was de weg vonden naar de juiste terminal – gaven de grijze steunkousen geen krimp!

 

Nee, ik ga volstaan met te zeggen dat het gezelschap veilig tot in Calcutta raakte waar een delegatie zusters en kindjes hen stond op te wachten. Na een enthousiaste begroeting en de eerste knuffels was iedereen flink moe, waardoor de bedjes heel snel werden opgezocht.

Maar dat leidt ons dan tot een heel nieuw verhaal .. het verhaal van onze vijf vriendinnen in het klooster te Calcutta ...

 

-~°0°~-

 

17:15 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

Deel 6: De orde van de Grijze Steunkous.

De orde van de grijze steunkous, deel zes: de 'Swinging grey stockings'!

 

Broeder Petrus voelde zich in zijn element, al heel lang was het zijn – stiekeme – droom, om eens een reuze-evenement te mogen organiseren en nu het eindelijk zo ver was genoot hij!

Hij koerste over de binnenplaats, sjorde zijn pij wat strakker zonder ook maar eventjes halt te houden en negeerde het zomerbriesje dat zijn haar helemaal de verkeerde kant op blies.

Kosten noch moeite waren gespaard om van het 500-jarig bestaan van de kloosterorde een groot feest te maken. Het leukste was natuurlijk dat dit de orde zelf geen cent ging kosten, het enige wat ze deden was het klooster openstellen. De voornaamste financiering kwam van een bekende bierbrouwerij die meteen een gouden zaakje had geroken: de pers zou natuurlijk aanwezig zijn op dit evenement en de vrolijke parasols met het logo van hun merk vielen iedereen op!

 

Felix Lapsus viel van de ene verbazing in de andere toen hij de ijverige broeder bezig zag. Zijn bedrijfje, de firma ‘Sokken en Kousen’, had de hoofdprijs voor de talenten-wedstrijd gesponsord en zijn baas had hem opgedragen om er op toe te zien dat alles goed verliep. De poster met de dansende nonnetjes hing boven het podium dat aan de ene kant van het binnenplein was opgesteld en op de braderie zelf zou een kraampje komen met een ruim assortiment kousen.

Grinnikend dacht hij terug aan het gezicht dat hun verkoopster had getrokken toen ze hoorde dat ze deze keer in nonnenhabijt kousen moest verkopen. Het dametje was al meer dan 20 jaar hun vaste verkoopster op beurzen; hij had flink wat overredingskracht – en een flinke bonus – moeten gebruiken om haar te overtuigen, maar nu stond ze glunderend haar kraam uit te stallen!  Ze zag er trouwens overtuigend uit als nonnetje, de habijt was kraaknet gestreken, de kap zat onberispelijk en strak rond haar hoofd, wie niet beter wist zou zweren dat ze deel uitmaakte van de Orde van de Gramschaploze Vlekkeloze Ontvangenis van God.  Peinzend bekeek Felix haar nog eens goed van kop tot teen: en toen zag hij het; de uitdagende ‘fuck-me’ laarsjes bewezen dat ze eigenlijk toch geen echt nonnetje was!  Grinnikend sloeg Felix haar gade, dit was beloftevol!

 

Zuster Catharina sloeg de zaak met argusogen gade, ze vond dit maar niks, al dat gedoe, dit volksfeest, deze decadente uitspatting was helemaal haar stijl niet! De deken had het ganse verhaal glimlachend aangehoord en had uiteindelijk zijn zegen gegeven. Hij zag er blijkbaar geen graten in dat er ook een wedstrijd georganiseerd zou worden.

Had het van haar afgehangen ...

Hoofdschuddend ging ze verder met het draperen van een tafellaken over de tafel van de juryleden. Ze was gevraagd om in de jury te zitten en omdat er toch één iemand zijn serieux moest houden had ze aanvaard. Met een haal van haar hand streek ze het laken mooi glad.  Zo, dit was tenminste al onberispelijk, nu nog de naambordjes – piekfijn gekalligrafeerd in haar mooiste sierschrift – en drie ruikers zomerse zonnebloemen om alles op te fleuren. Zij was er klaar voor!

 

*

 

Nerveus stonden onze vijf vriendinnen in de coulissen te wachten tot het hun beurt was. Het was razend druk; het dorp had een uiterste inspanning geleverd: er was een braderie met ontelbare kraampjes, de geur van braadworsten en echte Vlaamse hamburgers – met veel ajuin en mosterd – drong maagkriebelend diep in de neusgaten. Voor de kinderen was er een heus ‘speeldorp’ met springkastelen en make-up artiesten. Een rondwandelende clown plooide met vaardige handen de mooiste diertjes uit ballonnen en ook de zon was enthousiast van de partij.

Er was een ruim podium gemaakt met links op het podium de onberispelijke tafel met de juryleden: zuster Catharina werd langs beide zijden geflankeerd door broeder Petrus en Felix Lapsus.

 

Onze vriendinnen waren als allerlaatste aan de beurt, voor hen waren al tien groepjes de revue gepasseerd, van frisse jonge binken in nonnetjes habijt tot bejaarde dametjes.

“Oh, God, ik denk dat ik doodga!” Anneke was, zoals verwacht, op van de zenuwen, “Ik ga dit nooit durven!” bleekjes keek ze haar vriendinnen aan, terwijl ze netjes uit de weg ging voor één van de pensioengerechtigde vrouwtjes – mét rollator - .

“Anneke, jij gaat mee op en wij gaat dit hier winnen!” sprak Inge haar vriendin streng toe, “Jij wil net zo graag naar Calcutta als wij, dus zet je beste beentje voor!”

“Veel succes!” fluisterde het oude besje Anneke toe, “Eenmaal je op dat podium staat smelten de zenuwen als sneeuw voor de zon!” probeerde ze het meisje dat stond te trillen als een espenblad moed in te spreken.

“Dank je.” atwoordde ze met schorre stem, “Lief van je!”

De presentator verscheen weer op het podium om onze vriendinnen aan te kondigen.

“En dan nu! Een vijftal uit ons eigen dorp: handjes op elkaar voor Inge, Kristel, An, Caroline en Tania: de swinging grey-stockings!” de presentator kondigde onze vriendinnen aan, hij deed teken en netjes op rij kwamen ze het podium op.

De eerste tonen van ‘I will follow him’ klonken en onze vriendinnen begonnen aan hun act.

Ze hadden een goed nummer gekozen, al gauw gingen de handjes op elkaar en werd er vrolijk mee geklapt door het publiek. Bij het refrein liet de habijt een beetje ruimte voor de deftige grijze kousen die het vijftal aanhad, wat al een eerste glimlach ontlokte bij hun publiek.

Halfweg het nummer werden de habijten de lucht ingegooid en kwamen de pakjes met sexy bustier tevoorschijn.

Plagend uitdagend lieten de meisjes de pakjes zien waar zo hard aan gewerkt was.

Terwijl de beentjes hoog in de lucht gingen had het publiek een prachtig uitzicht op hun sexy bustier met daar nog eens de deftige grijze kniekousen onder. Het publiek genoot en de eerste lachtraantjes werden weggeveegd.

Op de eerste rij stond een gezette dame ongegeneerd te schaterlachen, ze klapte enthousiast in haar handen en danste vrolijk mee.

“We zijn goed bezig, kijk naar het publiek!” fluisterde Inge haar vriendin Ann toe toen ze elkaar passeerden bij het draaien.

Bleek keek het meisje terug, een voorzichtige blosje kleurde haar wangen “Dit valt eigenlijk best mee!” fluisterde ze terug.

Inge stak haar duim omhoog en ze voltooiden hun nummer.

 

Het applaus was oorverdovend! Na een laatste diepe buiging verlieten de meisjes het podium waarop de presentator weer opkwam: “En met onze swinging grey-stockings sluiten we de wedstrijd af, het is nu aan de jury om te beslissen wie met de hoofdprijs naar huis zal gaan!” hij wees naar de tafel met de juryleden, “Mag ik nog één keer de handjes op elkaar voor onze juryleden!” het publiek klapte enthousiast in de handen, er werd gefloten en gejuicht.

 

*

 

“Goed, mensen, we moeten een keuze maken, wie van de deelnemers heeft het er het beste vanaf gebracht?” broeder Petrus nam het voortouw om tot een beslissing te komen.

“Ik vond die laatste groep wel iets hebben.” wist Felix, “Zo vijf jonge meisjes, strak jong vlees, niet mis, helemaal niet mis!” veelbetekenend knipoogde hij naar broeder Petrus.

Zuster Catharina zag de vettige knipoog met afgrijzen aan: “Felix Lapsus!” streng sprak ze hem toe:”Dit zijn christelijke jonge maagden uit onze parochie en ik zal niet tolereren dat u onzedelijke gedachten heeft over deze vijf onschuldige deernes!” belerend zwaaide ze met een vingertje voor zijn neus. “Ik eis dat u nu meteen uw excuses aanbiedt!”

Geschrokken keek Felix de nijdige zuster aan.

“Het, het ... het sp- spijt me zuster.” Hij begon er van te stotteren: “Ik zal het nooit meer doen!” op de een of andere manier deed zuster Catharina hem aan zijn allereerste papschooljuf denken, en niet op positieve wijze ...! Hij besloot er verder het zwijgen toe te doen en keek bang naar zijn notities.

“’k Zou het geloven!” beet ze hem nog toe, “Van alle onbeschoftigheden ... “ mompelend ging ze verder, maar het was meer tegen zichzelf dan tegen de anderen.

“Goh, kijk nu! Het zijn verpleegsters!” Felix had het dossier van de vijf meisjes doorgenomen.

“Pardon?” lijzig keek zuster Catharina vanachter haar brilletje Felix aan.

“Die meisjes, het zijn verpleegsters! Allez, in opleiding!” Felix schoof het blad naar zuster Catharina toe. “Hier, kijk zelf maar.”

“Verpleegsters? Laat mij eens kijken?” broeder Petrus trok het papier naar zich toe.

“En ze willen graag winnen om een stage in Calcutta te kunnen doen?” verbaasd keek hij de anderen aan, “Mensen, ik denk dat we onze winnaars hebben!” met een zelfvoldane grijns legde hij hun dossier weer neer.

“Ja, maar ... gaan ze ons niet beschuldigen van voortrekkerij? Het zijn meisjes uit het dorp...” Zuster Catharina twijfelde, het waren leuke meisjes en ze gunde hen de overwinning, maar het moest eerlijk gaan.

“Ah mens, zeur zo niet, ze hebben het heel goed gedaan, de kostuums waren schitterend, en als het publiek hoort dat ze graag willen winnen om een stage in het ziekenhuis in Calcutta te doen dan gaat zelfs de grootste zeurpiet overstag!” broeder Petrus wist al wie hij de overwinning gunde.

“Ok, ok, maar alleen als je zeker op het podium laat vertellen dat ze verpleegsters zijn en daarom de reis willen winnen!” zuster Catharina moest toch nog haar wil doordrukken.

“Lieve God, als het dat maar is!” met een klap sloeg broeder Petrus zijn map dicht, “Dan geloof ik dat we het eens zijn?” en hij stond op om de presentator hun besluit mee te delen.

 

17:10 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

23-02-07

Geluk van glas

Geluk van glas

 

Jouw foto op mijn bureau:

 

Geluk achter glas

was toen is

is nu was

 

Verdriet achter glas

was toen is

is nu was

 

Plaatsgegeven

stilgestaan

verdergegaan.

 

Voor mama: ° 12 december 1996

13:29 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) | Tags: geluk, verdriet, afscheidsgedicht, rouwen, afscheid, glas |  Facebook |

10-02-07

Ti-ta-toverzoen.

Ti-ta-toverzoen

 

Toverwonder, winterwens,

wit kristal in vreemde dromen.

Toverheks flitst toverbeeld,

alle zorgen meegenomen.

 

Wonderwens, ik tover jou,

magietaal in parelglans.

Tovermoed en heldr’e geest,

winterzoen brengt nieuwe kans.

 

Wintertover, wonderdroom,

Zilvernacht verjaagt de spoken.

Maanlicht schijnt, verovert mij

Nieuwe kracht wordt aangebroken.

                    

                          -~0~-

23:27 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (4) | Tags: tovertaal, winter, magie, kristal, droom, dromen, zoen, maanlicht, toveren |  Facebook |

23-01-07

Deel 5: De orde van de grijze steunkous.

De orde van de grijze steunkous, deel 5: Bunny-pakjes versus habijten .

 

“Uh, uh!” Met een van afschuw vertrokken gezicht duwde Anneke het pakje weer weg dat Caroline haar voorhield, “Nog in geen honderdduizendmiljoen jaar trek ik dat aan!” De manier waarop ze “dat” uitsprak deed vermoeden dat ze nog liever naakt door de Gentse binnenstad zou flaneren dan het pakje te passen.

Tania wou geen ‘nee’ horen: “Kom aan Anneke! Wij dragen het toch ook! Er is geen mens die op jou zal letten en jij hebt nog het leukste figuur van ons allemaal!”

De andere vriendinnen knikten instemmend.  Caroline kwam demonstratief met haar achterwerk schuddend voor Anneke staan, “Kijk naar mijn kont in dit pakje, daar kan een volledige kleuterklas op zitten!”

De vriendinnen grinnikten, “Komaan An, gewoon doen! Die pakjes zijn fantastisch, als we zo niet winnen dan weet ik het niet meer!”

De meisjes waren het er over eens, de outfits waren heel goed gelukt, de mama van Kristel was er een ganse week aan bezig geweest. Het waren prachtige bunny-pakjes geworden, fel roze met een boordje van spierwit nepbont aan de halsuitsnijding en sexy kanten jarretelle gordeltjes.

“Tja, Anneke, als jij niet wilt gaan we iemand anders moeten zoeken, iemand met net zo’n fijn figuurtje als jij hebt.” Kristel besloot zich ermee te moeien, “En dat gaat niet simpel zijn, mijn mama heeft die pakjes op maat gemaakt.”

An keek van het ene gezicht naar het andere, “Het scheelt dat het maar halfweg het nummer te zien zal zijn natuurlijk,” ze begon te twijfelen “Allez vooruit, geef hier, ik zal dat onzedig ding eens passen.”

En met een diepe zucht begon ze het pakje dan toch maar aan te trekken.

 

*

 

Nerveus stapten zuster Dulcinea en zuster Elizabeth door de gangen. De abdis had alle nonnetjes nog eens samen geroepen om te polsen naar de meningen over het plan van broeder Petrus.

Ze spraken geen woord, de stilte werd enkel doorbroken door het doffe getik van hun hakken - drie centimeter hoog zoals het betaamt – en het ruisen van hun habijt.

Voor de deur van de bibliotheek ontmoetten ze broeder Petrus.

“Ha! Mijn favoriete nichtje!” hij begroette zuster Elizabeth enthousiast met een klapzoen op haar wang.

“Dag nonkeltje!” Het vrouwtje onderging de begroeting lijdzaam, ze was het gewend van haar oom, maar zuster Dulcinea deinsde achteruit toen broeder Petrus aanstalten maakte om haar net dezelfde behandeling te laten ondergaan.  Zedig stak ze een hand uit, die broeder Petrus met een grijns schudde.

“Hoe gaat het ermee broeder Petrus?” informeerde ze formeel.

“Goed! En met u?”

“Ça va, gezien de omstandigheden.”

Broeder Petrus nam haar nog eens goed op, die zorgrimpel leek dieper geworden, en haar ogen die vroeger glinsterden van plezier stonden dof.  Het was overduidelijk dat de brave zuster met de ganse zaak diep in haar maag zat.

“We gaan die omstandigheden ne keer rap naar ons hand zetten!” sprak hij de brave zuster moed in, waarop hij de deur van de bibliotheek openduwde.

Ze bleven met hun drieën verbaasd in de deuropening van de bibliotheek staan. De laatste persoon die ze daar nu hadden verwacht glimlachte hen minzaam toe.

 

*

 

“Het moet!” Felix probeerde de verkoopster te overtuigen om de nonnenhabijt aan te passen.

“Ik zou niet weten waarom!” met demonstratief gekruiste armen stond ze voor Felix, “Dit is gewoon te gek voor woorden! Omdat die reclame zo goed loopt moet ik dat daar,” ze wees met een van afschuw vertrokken gezicht naar het kostuum. “dragen op de braderie? Ben jij zot geworden of zo?”

“Denk aan de klanten, die gaan dit geweldig vinden!” probeerde hij.

“Die klanten kopen al twintig jaar kousen bij mij, zonder dat ik daar ooit een carnavalskostuum voor hoefde te dragen!” nijdig bleef ze Felix bekijken.

Felix besloot zijn meest overtuigende argument in de strijd te gooien: “Ik verdubbel je bonus als je het draagt.”

Waarop de verkoopster prompt akkoord ging: “Had dat dan eerder gezegd, toon me eens rap hoe ik dit moet aantrekken?”

 

*

 

“Ik vind dit ganse plan immoreel, verderfelijk en onzedig!” vond zuster Catharina, ze sprong op van haar stoel en stampte boos met haar voeten. Zelf had ze net voorgesteld om het 500-jarig bestaan van het klooster ingetogen te vieren met een kerkviering, maar de abdis én deken Albertus hadden, tot haar verbijstering, dat voorstel naast zich neergelegd.

Tot ieders verrassing had deken Albertus onaangekondigd een bezoek gebracht aan de orde, en nu luisterde hij aandachtig naar ieders argumenten.

Zuster Dulcinea zat stil aan de tafel, ze had nog niks gezegd en keek somber voor zich uit.

“Ik geloof dat het geen kwaad kan om de mening van zuster Dulcinea te vragen,” vond de abdis.

Bedachtzaam keek zuster Dulcinea op.

“Ik maak me eerlijk gezegd een beetje zorgen of dit ganse gebeuren de goede naam van het klooster niet gaat schaden.” Zuster Dulcinea had eindelijk de moed gevonden om haar grootste angst uit te spreken.

“Het siert u, beste zuster, dat u daar aan denkt!”  De deken stond op van zijn stoel en keek de nonnetjes ernstig aan, “Ik maak me daar zelf ook zorgen over.”

Zuster Catharina sprong op: “Dat zeg ik nu ook al de ganse tijd, dat dit ganse gedoe gewoon niet door de beugel kan!”

Streng keek de deken haar aan, “Dat hadden we al begrepen beste zuster, ik heb uw brief aandachtig gelezen.”

Betrapt sloeg zuster Catharina haar ogen neer, ze had er geen rekening mee gehouden dat de deken haar zou verklikken.

Boos fluisterde zuster Elizabeth tegen zuster Maria-Helena: “Het was te verwachten dat dat kreng de deken zou inlichten, ik vroeg me al af vanwaar dit onverwachte bezoek kwam!” haar buur knikte instemmend, zuster Catharina was hier toch echt wel haar boekje te buiten gegaan!

“Ik ben hier vandaag omdat ik graag wilde weten wat er hier allemaal aan de hand is.” Monsterend keek deken Albertus de zustertjes aan, “Zuster Dulcinea, ik hoop dat u een helder licht op deze zaak kan laten schijnen?”

“Ik geloof dat ik dat kan, het is allemaal hopeloos uit de hand gelopen.” Kort deed ze haar verhaal.

 

... wordt vervolgd ...

Deel 4: De orde van de grijze steunkous.

De orde van de grijze steunkous, deel 4: Niet denken, doen!

 

“Felix Lapsus! Wat moet dit voorstellen?”

Ruw werd Felix uit zijn middagdutje gewekt door de boze stem van zijn baas, die een blad papier voor zijn neus heen en weer wapperde.

“Wa, wa, wasseraandand?” stamelde hij, nog half in dromenland.

“Wat er aan de hand is? Wat er aan de hand is? Ik ga je zeggen wat er aan de hand is! Die vervloekte kwezels gaan ons een proces aan onze broek lappen omdat ze geen toestemming gaven voor die reclame van u!”. Met een hoofd rood van razernij hing de baas boven Felix.

“Huh? Ik dacht dat dat een gesloten orde was? Hoe zijn die dat te weten gekomen?”. Felix wreef zich verwonderd in het haar.

“Hoe moet ik nu weten hoe die nonnen hiervan lucht hebben gekregen? Ze zijn er van op de hoogte gekomen en ze dreigen met een proces! Wat ben jij van plan daar aan te doen?”

Felix keek zijn chef peinzend aan.  Deze verwachtte dat hij iets deed, en koortsachtig dacht hij na.

“Ze dreigen ermee? Kunnen we niets regelen dan?” vroeg hij voorzichtig.

“Die campagne heeft al mooi geld opgebracht. Het zou jammer zijn als we ze moesten stoppen.”

“Doe dat dan!”  Zijn meerdere smakte het blad papier op het bureau.  “Hier. Er staat een telefoonnummer van ene broeder Petrus op die brief, bel die man op en doe je best!” en met een luide klap sloeg hij de deur achter zich dicht.

Zonder er verder bij na te denken nam Felix de brief vast, zocht met zijn vinger het telefoonnummer op, nam zuchtend met zijn andere hand de telefoon vast, klemde hem tussen zijn wang en zijn schouder en toetste het nummer van die broeder Petrus in.

“De orde van de Gramschaploze ontvangenis van God, broeder Petrus luistert.” klonk het aan de andere kant.

Verrast door de zware bariton was Felix even het noorden kwijt.  “Eugh... Felix Lapsus, verkoper van de firma Sokken en Kousen.” stamelde hij, “Ik eugh ... heb uw brief hier bij me liggen.”

“Ah! Meneer Lapsus! Ik heb met u een flink eitje te pellen”, bromde broeder Petrus de man toe.  “We zijn niet gelukkig met uw reclamecampagne. Helemaal niet gelukkig ... “.

Broeder Petrus deed zijn best om zo boos mogelijk te klinken, want eigenlijk wist hij al lang wat hij van de man wilde.

“Ja, eugh ... tja ... kunnen we dit niet oplossen?” vroeg Felix.

“Wel, luister goed, ik ga u dat hier direct eens zeggen zie!” beet broeder Petrus hem toe. Hij vertelde kort wat hij precies van Felix verwachtte.

“O, ik denk dat mijn baas hier wel mee gaat kunnen leven ...” Felix vond dat het al bij al nog meeviel.

“Gij moet niet te veel denken, gij moet doen!” maande broeder Petrus hem aan tot actie.  “Ik wil tegen vrijdag een schriftelijk akkoord dat je bedrijf mijn voorstel aanneemt of er komt evengoed nog een proces van!”, ging hij dreigend verder.  “En dan gaan jullie er NIET zo goedkoop vanaf komen!” Hij benadrukte de ‘niet’ en na een kort afscheid eindigde broeder Petrus het gesprek, Felix verward achterlatend.

“Man, man, man. Van alle gekke voorstellen die ik al ooit hoorde is dit wel ...”

Hoofdschuddend ging hij naar de baas om hem te vertellen over de minnelijke schikking die broeder Petrus had voorgesteld.

 

*

 

“Tania! Heb je dit al gelezen?” Inge kwam met een krant aanlopen. Ze zaten gezellig met vijf meisjes op kot. Samen huurden ze een appartementje in Gent. Dat was handig, want ze waren alle vijf laatstejaars verpleegkunde en onafscheidelijk.

“Kijk, mijn tante stuurt me dit. Een wedstrijd in ons dorp; De hoofdprijs is een reis naar Calcutta!”

Tania was meteen bij de les. “Naar Calcutta! Jee zeg! Als we dat konden winnen!” De meisjes droomden al van bij het begin van hun opleiding over een stage in Calcutta. Het was hun droom om de nonnetjes van een orde uit hun geboortestreek te bezoeken en mee te helpen met het verzorgen van de patiënten. Helaas was de reis te duur en bleef het bij dromen.

“Zou het niet mooi zijn als we deze wedstrijd wonnen en deze zomer samen naar Calcutta konden?” Inge was door het dolle heen. Ze rook een buitenkansje en wou haar vier vriendinnen overtuigen om mee te doen met de wedstrijd.

“Hmm, vertel eerst maar eens wat die wedstrijd inhoudt?” vroeg Tania, voorzichtig als altijd.

“Wel, als ik het allemaal goed begrepen heb, is het een soort van play-back wedstrijd. Eens kijken ...” Inge bladerde in de krant tot aan de wedstrijd. “Hier heb ik het.” Vlug las ze voor wat er van de deelnemers verwacht werd. “ En de winnaars reizen naar Calcutta om een bezoek te brengen aan hun klooster daar.”

Tania werd er even stil van. Dromerig zei ze: “Naar hun klooster in Calcutta, jee .... “ Kordaat sprong ze op. “Dit is ons op het lijf geschreven. We moeten dit winnen!”  Vastberaden keek ze haar vriendin aan. “En de anderen moeten meedoen!”

“Pfffft!  Caroline en Kristel zullen meteen enthousiast zijn, maar ons Anneke? Die is zo verlegen.”

Peinzend keken de vriendinnen elkaar aan.

“Maar ze wil dat reisje ook heel erg graag. Daar ben ik zeker van.” Inge kwam tot een besluit. ”Het lukt ons wel!”

“Kom, geef me snel dat formulier. We schrijven ons in!”

 

*

 

Zuster Dulcinea was eigenlijk niet zo gelukkig met het plan van broeder Petrus. Ze was meer dan genoeg in verlegenheid gebracht door die afschuwelijke reclame en had geen zin om het nog wat meer op de spits te drijven. Dat zij degene zou zijn die de winnaars van de wedstrijd zou begeleiden naar hun klooster in Calcutta vond ze wel leuk. Toen ze nog een jonge novice was, had ze enkele jaren in het klooster doorgebracht. Maar omdat de streek toen te gevaarlijk werd en zij als jonge non nog te onervaren, kon ze niet blijven. Dromend dacht ze terug naar die tijd. Ze herinnerde zich de dankbaarheid van de mensen die ze mocht verzorgen, hoe gelukkig de mama’s en hoe blij de kindjes waren.  Ze wist nog hoe warm het daar was, en hoe zoet de vruchten waren die gewoon aan struiken naast de weg groeiden ...

“Ben je aan het dromen van een knappe prins op een wit paard?” vroeg zuster Elizabeth plagend.

Betrapt voelde ze een blosje naar haar wangen stijgen.

“Ah, nee kind. Onzelieveheer is de enige voor mij.”

Om zich een houding te geven, wees ze naar het stapeltje post in zuster Elizabeth’s handen. “Wat heb jij een hoop brieven mee!”

“Ja, leuk hé! Ik denk dat het de eerste inschrijvingen voor de wedstrijd zijn. Ik hoop dat er veel kandidaten zijn. Met de opbrengst kunnen we ons klooster in Calcutta flink steunen!”

Zuster Dulcinea keek de jonge non twijfelend aan. “Ik weet het nog zo niet. Dit zou ook wel eens blijvende schade kunnen toebrengen aan ons imago. Ik hoop maar dat broeder Petrus weet wat hij doet ... “

“Natuurlijk weet hij dat. Hij heeft het goed voor met ons!”

“Laat ons dat hopen, maar om zeker te zijn denk ik dat het geen kwaad kan om tijdens de completen een extra gebedje te doen voor Sint-Antonius, baat het niet ...”

“Dan schaadt het ook niet!” stemde zuster Elizabeth volmondig in.

 

*

 

“Ik denk dat u dit maar beter kan lezen!” De klerk stak deken Albertus een briefje toe. “Dit komt van de Orde van de Gramschaploze Vlekkeloze Ontvangenis van God.  Zuster Catharina is blijkbaar niet tevreden met de gang van zaken in het klooster.”

Nadenkend wreef deken Albertus over zijn kin, terwijl hij de brief las.

Bedachtzaam legde hij de brief weer neer, keek de klerk peinzend aan en kwam tot een besluit.  “Het lijkt me allemaal een beetje uit de hand te lopen daar!  Rij de auto voor, we gaan onze brave nonnetjes een bezoekje brengen! “

 

... wordt vervolgd ...