10-06-07

"Vergeetachtig"

“Dat is dan één euro dertig.” Ik betaal de chauffeur en kijk waar er nog plaatsen vrij zijn.  Wat verder zie ik Gustaaf zitten, in gedachten verzonken kijkt hij naar buiten.  We waren collega’s, drie jaar geleden.  Hij werkte voor de technische dienst van het ziekenhuis en deed daar de schilderwerken.  Ik deed de inventarisatie en de opvolging van de vergaderzalen.

De bus vertrekt, en ik wankel tot aan de bank waar Gustaaf zit.

Verrast kijkt hij op als ik aan zijn bank stop, “Maar kijk nu toch! Ons Tineke!”

“Hee, Gustaaf, dat is lang geleden, hoe is’t er nog mee?”

Ik buig me voorover; om hem met een kusje op zijn wang te begroeten, en zet me naast hem neer.

“Goed.” Zeg hij, hij lijkt blij om me nog eens te zien en geeft tevreden een paar klopjes op mijn knie, “En jij?”

“Prima, alles gaat zoals het moet gaan.”

“Da’s wel kind.” zegt hij, en daarna “Ik neem een keer per week deze bus.”

“Oh, hoezo?” vraag ik.

“Tja, …” even blijft het stil, “ ’s Maandags ga ik altijd mijn vrouw bezoeken, die ligt hier in de instelling.”

Verbaasd kijk ik hem aan, “Is ze ziek dan?” De laatste keer dat ik Gustaaf’s vrouw zag was op de receptie voor zijn pensionering, nu drie jaar geleden.

“Wel, ja, …. ziek …. Hoe moet ik het zeggen” Hij kijkt me weifelend aan, “Weet je, toen ik met pensioen ging was ik vaker thuis, en toen begon het me op te vallen dat zij zo vergeetachtig werd”

Ik knik, en luister.

“En toen zijn we eens met de huisarts gaan praten, er zijn wat onderzoeken gedaan en toen was het al vlug duidelijk dat ze een erge vorm van Alzheimer had.”

“Alzheimer!”, echo ik.  Verbaasd kijk ik hem aan.

“Ja, ze werd steeds vergeetachtiger.  Soms ging ze in de keuken om koffie zetten, en wist ze niet meer wat ze daar wou doen, dan begon ze de keukenkastjes te poetsen.  ” Gustaaf zegt het rustig, bijna zonder emotie.

“En hoe komt ze nu in die instelling?”, vraag ik, “Gaat dat zo vlug dan, die achteruitgang?”

“Bij haar wel”, zegt hij, “geen twee mensen zijn gelijk, bij de ene gaat het vlug, en bij de andere traag.”

Ik knik begrijpend, dit vind ik zo erg voor Gustaaf.  Ik herinner me zijn vrouw als een flinke dame, een beetje gezet, maar heel koket en met een lieve lach op haar gezicht.

“En je gaat haar altijd alleen bezoeken?”  Ik probeer me voor te stellen hoe eenzaam Gustaaf zich dan moet voelen.

“Nee, nee, op woensdag gaat onze zoon mee, en op zondag de dochter, ik bezoek haar meer dan één keertje per week.” Hij zegt het alsof hij zichzelf wil verontschuldigen.

“Hoe gaat dat dan? Ze herkent je toch nog?”

Gustaaf kijkt me diepbedroefd aan, ik merk een sombere rimpel in zijn ooghoeken die er vroeger niet was.

“Nee, … vandaag vroeg ze wie ik was.  Ze dacht dat ik de tv kwam herstellen.” Gustaaf kucht, om de krop in zijn keel weg te krijgen.

Ik zie dat een traantje een zilveren spoor van zijn ooghoek naar zijn neus getrokken heeft.  Een druppeltje bengelt triest aan het puntje van zijn neus.  Ik voel in mijn handtas en haal een papieren zakdoekje boven, ik geef het hem, en hij snuit – luid toeterend – zijn neus. Zijn hoofd is tussen zijn schouders gezakt, en hij kijkt naar de vloer van de bus.

“Ik vind het zo erg voor je Gustaaf” fluister ik, en leg m’n hand op z’n knie.

Hij legt zijn hand bovenop de mijne, en geeft er een kneepje in “Ik ook kindje, ik ook …”

Zwijgend blijven we zo even zitten.

“Hoe gaat dit verder gaan?” vraag ik stilletjes.

“Wel, de dokters geven haar nog drie jaar” zegt hij “En dat is lang, om afscheid te nemen.” Hij kijkt me weer aan, “In ’t begin maakte ik plakboeken met foto’s van vroeger, omdat ik dacht dat ze me zo zou blijven herkennen en dat hielp even, maar nu niet meer”

Ik weet niets meer te zeggen, kan niet anders dan knikken.

“Nu geef ik haar eten en kam haar haren, meer kan ik niet meer doen voor haar.”

“Dat je daar de kracht voor hebt.” zeg ik stilletjes.

“Ach, je bent altijd sterker dan je zelf denkt.” hij haalt z’n schouders op “Een mens moet vooruit, stilstaan is achteruitgaan.”

“Da’s waar” zeg ik “maar toch …”

De bus stopt, Gustaaf moet er alweer uit.

Hij trekt zich recht aan de stang naast onze zitplaats, en vraagt: “Zie ik je volgende week weer?”

Ik knik, en probeer naar hem te lachen. “Normaal wel, ik neem maandag altijd de bus naar huis.”

Hij lacht terug, “Dan hebben we een afspraak, bij leven en welzijn, tot volgende week!”

“Tot volgende week.”, herhaal ik.

Hij buigt zich nog voorover om me een zoentje te geven, en stapt af.

Hij blijft staan tot de bus doorrijdt en steekt zijn hand omhoog vooraleer hij de straat oversteekt.

Ik zwaai terug, en blijf stilletjes.

Je kan het niet zien aan de mensen …

 

20:58 Gepost door Dulcera in Algemeen | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |

Commentaren

je kan het inderdaad niet zien aan de mensen. Er zijn meer kruisjes dan we denken en weten. Je hebt Alzheimer op een mooie manier beschreven , het is vreselijk als de persoon zelfs zijn partner of kinderen niet meer herkent

Gepost door: ikke | 10-06-07

Prachtig stukje! Gewoon grandioos verteld ook. De werkelijke diepte van het menselijk leed ontgaat de drukke mens maar al te vaak. Tot...

Groetje

Gepost door: Willy | 10-06-07

Mooi verhaal Tina ! Ik kan me heel goed voorstellen hoe Gustaaf zich voelt, je bent erg sterk in zo'n verhalen schrijven.

Groetjes,

Gepost door: Parelmoer | 13-06-07

De commentaren zijn gesloten.