25-07-07

Nooit niks gedaan ... ?

 

“Je gaat er plezier mee hebben vandaag, ze zijn de ganse voormiddag wild en balorig geweest.”

Mijn collega spreekt me aan in het voorbijgaan, zijn ‘shift’ zit erop, de mijne begint.  Deeltijds onderwijs, wist ik veel, ik dacht dat lesgeven les geven was, niks meer en niets minder.

“Hoe zo, is het zo erg?” vraag ik, mijn hand op zijn arm probeert om hem even stil te doen staan.

“Ah, je kent ze ...” zijn stem sterft weg en hij kijkt me niet aan, “Het zijn geen lieverdjes, zolang ze nog iet of wat meewerken hoor je me niet klagen.”

Peter is tien jaar jonger dan ik, drie jaar afgestudeerd als leerkracht.  En nu al opgebrand, moe om tegen de bierkaai te vechten.  Ik weet dat hij de leerlingen met rust laat als zij hem met rust laten, maar zelf kan ik dat niet, als ze bij mij in de les zijn werken ze mee of stappen ze op.

Het is elke week weer vechten om ze ‘mee’ te krijgen, bij Peter hoeft niks, maar bij ‘die vrouw’ moeten ze werken.  En elke week weer krijg ik verwijten naar mijn hoofd geslingerd.  Dat Peter makkelijker is, en een man, en dat alleen mannen snappen waar het in het leven om draait.

Een heel verschil met mijn groep op dinsdag, die heb ik een ganse dag en die weten dat ze bij me moeten werken.  De groep van vandaag is gesplitst, ze krijgen twee keer een halve dag algemene vakken van Peter en twee keer een halve dag praktijk van mij.  En de donderdag is het het ergste, dan hebben ze ’s ochtends Peter gehad en kan ik er ’s middags meestal niks meer mee doen.  Het rare is dat ze de vrijdag meestal wel naar mijn les komen, en in de namiddag vaak spijbelen.

De schrik slaat me al om het hart als ik kijk waar ‘mijn’ leerlingen zijn.

Alleen Thomas staat nog op het speelplaatsje.  Hij is een rustige jongen, een gesloten boek uit een gezin waar werkloosheid van vader op zoon wordt doorgegeven.  Ik probeer af en toe tot hem door te dringen, hem wakker te schudden, maar tot nu toe zonder resultaat.

“Waar zijn de anderen?” vraag ik.

“Al naar de klas, ze wilden niet wachten.”

“Ah, en jij hebt wel gewacht?  Dat is attent van jou.”  Ik probeer om vriendelijk te klinken, toegankelijk.

“Nee, mijn sigaret was nog niet op, nu wil ik wel meegaan.” Met een overdreven gebaar duwt hij zijn sigaret uit en loopt met me mee naar de klas.

 

Stoer staat Omar met zijn rug voor de deur, hij blokkeert ze zodat ik niet naar binnen kan.

De anderen staan een metertje verder te kijken, schijnbaar emotieloos.

Mijn antennes gaan omhoog, hier klopt iets niet, ze voeren iets in hun schild!

Me boos maken mag ik niet doen, ik moet proberen om ze rustig in de klas te krijgen.  “Goedemiddag mannen, alles ok?” vraag ik glimlachend.

'Goedemiddag', mompelt Kenneth, maar zijn blik blijft op de grond gericht.  Hij is de makker van Giovanni, een jongen die het grootste deel van zijn nog jonge leven in instellingen heeft doorgebracht.

Omar beweegt niet.

Wat nu? 

Ik doe het enige wat ik kan bedenken, ik haal mijn acteer-talenten boven, ik trek een gezicht met hoog opgetrokken wenkbrauwen en kijk overdreven boos.

“Omar!” zeg ik dreigend en ik plaats demonstratief mijn handen in mijn zij.

Met een nonchalante glimlach gaat hij opzij. 

Ik neem de sleutel en wil de deur openmaken als ik merk dat er iets aan de klink hangt. 

Iets wit slijmerigs.

Iets vies.

Mijn hart gaat in overdrive.  Zenuwen en angst gieren door mijn keel, maar ik probeer om daar niks van te laten merken.

“O, God, jongens!” met afschuw kijk ik naar het groepje.  “Wat mankeert jullie toch?”

“Hey!  Wie zegt dat wij dit deden?” Omar komt voor mij staan, hij maakt zich breed maar komt evengoed nog tien centimeter te kort om me recht in mijn ogen te kunnen kijken.

“Jullie staan hier al eventjes, wie zou het anders geweest zijn?”  Ik haal een pakje papieren zakdoekjes uit mijn tas, en haal er een paar zakdoekjes uit.

Met een teleurgesteld gezicht wil ik de klink afvegen.

Giovanni is me voor, “Kom, geef hier, Omar zal dit wel afvegen!” Hij wappert de zakdoekjes voor het hoofd van Omar, die met tegenzin de doekjes neemt en de klink schoonmaakt.  “Ik krijg jou nog wel!” sist hij tussen zijn tanden naar Giovanni.

“Ik krijg jou eerst!” Antwoordt Giovanni dreigend, terwijl hij met zijn borst tot tegen de borst van Omar gaat staan.  “Je bent hier niet in je apenland, wij zijn beschaafd en houden onze manieren!”  de spanning is te snijden tussen de twee.  Thomas, Brahim en Kenneth gaan achteruit.

“Kom, hou op!” met een gebaar haal ik ze uit elkaar en ga tussen hen in staan.

Omar veegt de deur schoon, ik geef hem zwijgend de sleutel en hij opent de deur.

Iedereen gaat binnen.  Giovanni geeft me een blik van verstandhouding, en ik knik hem begrijpend toe.  We zullen niet meer spreken over het voorval, maar ik weet hoe de vork aan de steel zit.

De namiddag kan van start gaan.

 

*

 

 Nota: dit is een autobiografisch stukje ... ik heb niks mooier of lelijker gemaakt, het is gewoon zo gegaan.

 

 

 

 

 

05-11-06

Twee vrouwen, twee werelden.

Om kwart na zes ’s avonds parkeerde Caro haar heftruck bij het batterijlaadstation, blij dat de werkdag erop zat. Ze draaide het contact om en ging het sleuteltje in het bureau van de planners afgeven. Onderweg kwam ze één van haar collega’s tegen, een klein fijn vrouwtje van midden dertig dat steeds een wat ongelukkige, norse uitdrukking op haar gezicht had.  Ze groette vriendelijk maar kreeg een vuile blik terug.

‘Die is nog steeds kwaad omdat ik op Paasmaandag vrij heb!’ schoot het door haar hoofd. In het magazijn werd er continue gewerkt, iedereen moest afwisselend in het weekend en op feestdagen werken, maar gelukkig wist de baas dat zij kinderen had en kreeg ze de kans om dat weekend bij haar gezin te zijn.

Terwijl ze haar handtekening op het afmeldregister zette keek ze niet op naar de bediende die de uren bijhield. Het was een akelige man, hij keek net dat beetje te lang, knipoogde net iets te veelbetekenend en als hij de kans kreeg probeerde hij haar aan te raken. Overal had ze al blauwe plekken gehad van zijn geniepige kneepjes.

Ze durfde tegen de baas niks zeggen, het was tenslotte zijn neef. Hij werkte er al meer dan 15 jaar, zij was er pas vijf maanden.

De sfeer was ook niet zo fijn. De mannen waren echte magazijncowboys die neerbuigend deden over het werk van hun vrouwelijke collega’s. De vrouwen zouden eigenlijk voor elkaar moeten opkomen maar deden dat niet, het was ieder voor zich. Evengoed was ze blij dat ze werk had, ze had lang genoeg thuis zitten kniezen en het huishoudbudget liet nu veel meer extraatjes toe voor de kinderen.

Ze keek even op de klok om het juiste uur te noteren.

“Je was beter nog tien minuten langer blijven werken Caro’tje, dan had je een half uur overgewerkt.”

Hij herinnerde haar aan de regel alsof ze een klein kind was.

“Tja, dat kwam nu zo niet uit, ik zal het de volgende keer proberen.”

Ze legde de balpen neer en wou zich omdraaien om buiten te gaan, maar de gluiperd was vanachter de balie gekomen en blokkeerde haar doorgang.

“Mag ik?” zei ze kortaf en knikte naar de deur.

“Kom, kom, Caro’tje, je gaat toch nog niet naar huis?”

Opdringerig stond hij veel te dicht bij haar, “Waarom maken we het niet gezellig samen, we zijn hier nu heel alleen.”

Caro probeerde om de paniek die ze plots voelde niet te laten blijken, “Laat me met rust!” weerde ze hem af.

Ze draaide zich met haar rug naar hem toe en schoof langs hem heen naar de deur.

Grijnzend liet hij haar gaan, morgen was er weer een nieuwe dag.

 

*

 

Glimlachend ruimde Amina haar werkplek op. Haar vriendin had net een grappig verhaaltje verteld. Ze veegde de draadjes van de tafel en stak een nieuwe bobijn op de machine, dan kon ze morgenvroeg snel beginnen werken.

Het was aangenaam in het atelier; er werkten alleen vrouwen, mannen bleven netjes in het bureau en kwamen nooit tot bij de vrouwen. Dat was ook beter zo, het was niet goed voor de eer van de vrouwen als er steeds een man bij kwam.

De zon was al aan het zakken.  Nog even en ze konden naar huis gaan.

Ze zag dat één van de vrouwen last had van haar zware buik. Binnen twee maanden ging de baby komen, dan zou ze ook niet meer in het atelier werken maar thuis blijven bij de baby. Vlug veegde Amina de vloer schoon en hielp haar zwangere vriendin. Dat hoorde zo, vrouwen zorgden voor elkaar. Wie wat sneller was hielp de tragere en niemand ging naar huis voor alles netjes was.

Eenmaal opgeruimd en klaar voor de volgende werkdag gingen de vrouwen samen naar huis. Het was een vrolijk groepje, babbelend en giechelend liepen ze over straat.

Het was stil buiten, iedereen zat nu aan tafel.

Op het eind van de weg liepen drie mannen in hun richting. Amina had hen het eerste gezien en stootte haar vriendin aan.

“Schik je hoofddoek goed, kijk daar!” en ze knikte in de richting van de mannen.

De vriendinnen verzekerden zich er van dat hun hoofddoek in orde was en keken naar omlaag. De mannen waren de straat al overgestoken om niet langs hen heen te moeten gaan. Dat hoorde zo, een man mocht een vrouw niet te dicht naderen, dat was niet goed. De man zou rare gedachten kunnen krijgen en de vrouw zou verdacht kunnen worden van oneerbaarheid.   Tersluiks keek Amina toch even op.  Een van de mannen keek in haar richting, zijn blik kruiste de hare net iets te lang.  Amina zag zijn donkere ogen, een mooi gebronsde huid en glanzend zwart haar.  Plots voelde ze haar hart sneller slaan en blozend sloeg ze haar ogen naar beneden.  Ze schrok van haar hevige reactie en voorzichtig keek ze of de vriendinnen iets gemerkt hadden.  Nee, gelukkig!  De anderen hielden zedig hun ogen naar de grond en keken niet op of om.

 

Amina liet de bel aan de deur rinkelen toen ze het huis binnenkwam.

“Ben je thuis kind? Mooi, je bent net op tijd, verfris je voor je aan tafel komt.”

Amina’s moeder had het eten al klaar, de mannen waren al aan het eten. Die aten nooit samen met de vrouwen. In het bijkeukentje waren de vrouwen de tafel aan het dekken voor hen en de kleintjes.

Gezellig schoof Amina aan, ze genoot altijd van die maaltijden. Iedereen babbelde en lachte met elkaar.

‘Fijn’, dacht ze en ze liet het zich smaken.

 

*

 

Met een zucht ruimde Caro de tafel weer af. Ze hadden snel een diepvriesmaaltijd opgewarmd. Tijd om te koken was er bijna nooit, nog een geluk dat de tweeling op school een warme maaltijd kreeg. ’s Avonds aten ze eerst nog een boterham, dan gingen ze in hun badje en nadien was er nog een half uurtje tijd om te spelen voor ze naar bed gingen. Caro en haar man aten nooit voor 9 uur, vaak was het dan nog een diepvriesmaaltijd of iets wat ze snel in elkaar flanste.

Ze was dol op haar kinderen, twee lieve prinsesjes van vijf jaar, maar het was heel veel werk om alles in goede banen te leiden. Na het eten probeerde ze meestal nog wat te strijken of op te ruimen, terwijl haar man vaak nog voor school bezig was. Hij was leerkracht aardrijkskunde en had maar liefst 400 leerlingen op drie verschillende scholen. Hij had nooit gedaan met corrigeren van proeven en taken. Daarom nam Caro de meeste huishoudelijke taken voor haar rekening.

Ze vouwde de strijkplank open en begon met het werk.

Plots voelde ze warme armen om haar middel en een kusje in haar nek.

Glimlachend keek ze haar liefste aan, maar duwde dan zijn armen weg.

“Hey, niet doen, ik heb nog zo veel werk!”

“Ah, kom, die strijk kan toch wel wachten tot morgen?”

“Nee, morgen moeten we naar het oudercontact op school bij de tweeling, weet je nog?”

Teleurgesteld nestelde hij zijn hoofd even in de glooiing van haar schouder, maar hij begreep het wel.  Zijn liefste werkte ook zo hard, alles moest netjes en perfect zijn.

Ineens dacht hij aan de folder die vandaag in de bus zat.

“Waarom probeer je dat nieuwe strijkatelier van de werkwinkel niet eens, je zou toch veel tijd uitsparen als je al wat strijk kon laten doen?”

Hij had het briefje gelezen waarop de dienst aangeboden werd en dacht dat het haar kon helpen. Soms lag ze pas tegen middernacht in bed, en meestal moest ze om zes uur alweer opstaan.

“Ah, ik doe het liever zelf, al die vreemde mensen die mijn strijk doen ... ik vind dat niet zo hygiënisch ... “ mompelde ze.

“Tja, dan doe je’t jezelf aan!” Hij ging dan maar verder met zijn taken voor school.

Somber keek Caro naar haar man. Zou ze het hem durven vertellen dat die man op haar werk haar lastig viel? Hoe zou hij reageren? Zou hij zeggen dat het haar schuld was, dat ze assertiever moest zijn? Of zou hij kwaad worden en naar de baas bellen om te zeggen dat zijn vrouw lastig gevallen werd?  Misschien kon ze toch eens iets zeggen tegen iemand van de personeelsdienst, tactvol duidelijk maken dat ze niet gediend was van die akelige man zijn opmerkingen en handtastelijkheden?

Ze piekerde nog steeds toen ze in haar bed rolde.

Morgen nog een dagje werken en dan was het alweer weekend. Ze wou zaterdag nog om kleertjes voor het communiefeest van haar nichtje, haar meisjes moesten tip top gekleed zijn voor dat feest!

Eigenlijk was het wel fijn dat ze die job had, nu kon ze naar dat kleine boetiekje, toen ze werkloos was kon dat niet.

Ach, vroeg of laat hield die gluiperd wel op met zijn vervelende streken.

Dromend van haar dochtertjes in piekfijne tenuetjes viel ze in slaap.

 

*

 

Na het eten hielp Amina met opruimen. Haar twee tantes woonden ook bij hen in huis met hun man en kinderen. En ze had nog vier zusters, dus het werk was vlug gedaan. Na het werk gingen de vrouwen gezellig samen zitten.

Amina nam het jurkje dat ze voor haar lievelingsnichtje aan het maken was. Binnenkort werd ze besneden en dan was er een groot feest voor de vrouwen, mannen mochten daar niet bij zijn. De tantes en haar zussen waren ook bezig aan jurkjes voor de meisjes.

In totaal zou de vrouw zeven meisjes besnijden. Dat was een heilig getal en de meisjes hadden geluk dat ze met zeven waren. Hun wonden zouden snel genezen en ze zouden niet ziek worden.

“Is het waar dat Westerse vrouwen niet besneden worden?” vroeg Amina peinzend.

“Kind, zwijg daarover! Die toubab zijn geen echte vrouwen, iedereen weet dat ze mannen impotent maken,. ze zijn onrein!” wist de ene tante.

“Ze maken mannen het hoofd gek! Voor je het weet zit zo’n vrouw in de problemen. Ze hebben ook vaak meer dan één man tegelijk, het zijn hoeren!” siste de andere.

Amina twijfelde soms. Ze had veel last van haar besnijdenis, maar in een vies blaadje had ze lang gelden eens een foto gezien van een westerse vrouw en het zag er echt heel lelijk uit.

Ze had horen vertellen dat bij sommige westerse vrouwen de lippen bleven groeien tot op de grond waardoor de vrouwen met hun benen wijd moesten lopen.

Zelf was ze heel nauw dichtgemaakt, ze was helemaal glad tussen haar benen. Er was maar een klein gaatje om te plassen overgebleven en als ze ongesteld was deed het heel veel pijn. Maar pijn was deel van het vrouwenleven, dat wist ze al goed. Alleen uit pijn kon nieuw leven geboren worden.

De tantes bleven kwetteren over de Westerse vrouwen en hun bedorven levensstijl.

“Ze willen het hier ook verbieden! Ze willen dat wij onze dochters laten opgroeien tot hoeren!” vertelde tante Zina.

“Hoe kunnen ze dat nu vragen? Wij laten hen toch ook met rust? Wij zeggen toch ook niet wat ze moeten doen of laten?”

De mama van Amina mengde zich in het gesprek, “Volgens mij zijn ze zelf niet zoveel beter af, ze krijgen maar heel weinig kinderen. Ik denk dat ze niet zo vlug zwanger worden en dat de bevalling heel moeilijk gaat.”

De tante’s knikten instemmend. Die toubab waren vast heel dom dat ze dat allemaal niet wisten. Welke vrouw liet haar dochter nu opgroeien tot hoer?

 

*

 

“Ha, Caroline!”

De vader van Caro bleef koppig haar doopnaam gebruiken, “Ik ben blij dat je er bent, er is nog veel werk om alles in orde te krijgen voor morgen!”

Natuurlijk kwam ze meehelpen, Ingrid was haar enige zus. Ze waren twee handen op één buik. Ingrid had één dochtertje en morgen was het haar communiefeest. De ganse familie zou morgen komen, alle broers en zussen, de ooms en tantes en de grootouders.

“Je zus is gek dat ze dit doet. Je moeder en ik willen graag genoeg de traiteur betalen, maar die koppige zus van je moet natuurlijk zelf koken!” Hoofdschuddend droeg haar vader een stapel schotels naar de keuken.

In de keuken was Ingrid druk doende met potten en pannen.

“Je lijkt net die Zweedse kok uit de muppetshow” lachte Caro, “Kan ik ergens helpen met roeren of snijden of zo?” vragend keek ze rond.

“Ja!  Je kan de tomaten voor de soep in stukken snijden, en samen met de prei opstoven. Dan moeten de aardappels nog geschild en het witloof gekuist en ...”

“He, hoo! Eén ding tegelijk! Wat gaan we trouwens op ons bord krijgen morgen?”

“Als voorgerecht een koninginnehapje, dan tomatensoep met balletjes, Noorse zalmfilets met gegratineerde aardappeltjes en een groentekransje en als dessert een communielammetje en daarna nog koffie met iets zoets.” Ingrid ratelde het menu af zonder ook maar een seconde te stoppen met groenten snijden.

Caro knikte goedkeurend, “Hmm, we gaan weer gruwelijk verwend worden, zoveel is zeker!”

Snel bond ze een short voor en begon met het snijden van de tomaatjes.

“Maar ik vind net als onze pa dat je knettergek bent om zelf te willen koken, een traiteur zou toch veel makkelijker geweest zijn?”

“Dat kan, maar het moet ook lekker en vers zijn en precies zoals ik het wil, en dat kan alleen als ik zelf kook.”

Ingrid was altijd al een Pietje precies geweest die perfect wist wat ze wou, hoe ze het wou en wanneer ze het wou. Caro kon alleen maar bewondering hebben voor haar gedreven zus. Zelf had ze vaak het gevoel dat de wereld maar draaide en draaide en dat ze er niet echt deel van uitmaakte. Zo’n “Stop de wereld, ik wil eraf!” gevoel. Net alsof ze geleefd werd in plaats van zelf te leven.

“De vol-au-vent is bijna klaar, daar moet morgen alleen nog een beetje citroensap in.” Ingrid zette de grote pan al aan de kant, “En als jij je met de soep bezighoud hoef ik alleen nog de groenten en de aardappels schoon te maken, dan staat alles klaar voor morgen.”

“Komt voor elkaar chef!”

Als een soldaat sprong Caro in het gelid “Een grote pan tomatensoep, mét balletjes, wordt voor u geregeld.”

Ingrid lachte, “Ah, jij!” Caro was altijd al de clown geweest.

Ze benijdde haar soms voor de manier waarop ze in het leven stond. Caro liet alles maar over zich heen komen en leefde gewoon haar leven op haar eigen manier.

De zussen werkten verder. Ze babbelden en lachten en genoten van de tijd die ze samen konden doorbrengen. De middag was zo voorbij, heel snel was alles klaar voor het grote feest morgen.

 

*

 

Op de derde donderdag van de maand mei was de “Sigi-Dolo” te zien, de planeet Venus. Het was belangrijk om een goede dag uit te kiezen voor de ceremonie, net zoals het belangrijk was om met het juiste aantal meisjes te zijn.

De zeven meisjes hadden eerst een speciale maaltijd gekregen. Het eten was sterk gekruid en heel pikant. Er zat veel look in, omdat dat hielp bij het genezen en een speciaal kruid om rustig te worden.

Amina droeg haar nichtje de speciaal ingerichte kamer binnen. Ze had het meisje eerst een koud bad laten nemen om de pijn die zou komen te verlichten. Omdat ze de jongste van de zeven kinderen was zou zij eerst gaan.

De angst brandde in de ogen van het kleine kind. Amina herinnerde zich weer hoe ze zelf besneden was. De gedachte deed haar maag in elkaar krimpen. Ze dacht aan de pijn van toen, zag weer de vrouw het scheermesje nemen en tussen haar benen buigen.

Amina vermande zich en lachte naar haar nichtje.

“Sssttt ... rustig maar. Hoe meer je je er tegen verzet hoe meer pijn het doet.”

Ze sprak het meisje bemoedigend toe. “Probeer dapper te zijn. Ik ben nu al trots op je dat je straks klaar zal zijn om een echte vrouw te worden.”

Het kind knikte en liet zich gedwee op de tafel zakken.

Amina was nog te jong om het ritueel bij te wonen. Ze liet haar nichtje achter bij de vrouwen die de besnijdenis zouden doen.

Uit eerbied voor de ceremonie die in deze ruimte zou plaatsvinden boog ze diep en verliet achteruit lopend de kamer. Ze deed een teken naar haar zus die het tweede meisje in het koude bad liet gaan:  een bassin gevuld met ijskoud water en ijsblokjes. Hoe kouder het water was hoe minder ze straks zou bloeden en hoe minder erg de pijn zou zijn.

Er werd door de tantes en de zussen vrolijk gebabbeld onder elkaar, er werd geen ruzie gemaakt of gemene blikken geworpen. Alle vrouwen wisten dat wat vandaag gebeurde speciaal en eenmalig was, een gebeurtenis die de meisjes voor de rest van hun leven zou veranderen.

Uit het speciale kamertje kwam geen geluid, ze hoorden geen kreten van pijn. Het nichtje was ondanks haar jonge leeftijd heel flink.

“Hoor eens hoe stil zij is!”  Een tante sprak de andere meisjes toe, “Ze is een voorbeeld voor allemaal!”

De meisjes luisterden en bogen hun hoofd, ze wisten wat er ging komen straks en geen van hen wou de familie te schande maken.

Amina hoorde een helder belletje tingelen, het teken dat ze haar nichtje weer mocht ophalen.

 

Het kind lag bleek en stil op de tafel. Haar ogen gesloten en met een zilveren spoor van traantjes dat liep van de hoeken van haar ogen tot aan haar kin. De beentjes waren bij elkaar gebonden met zijden doeken.

Amina’s hart kromp ineen van medeleven. Ze herinnerde zich haar eigen tijd nog, hoe veel pijn het had gedaan en hoe hulpeloos ze zich had gevoeld met die koorden rond haar benen.

“Ik ben zo trots op jou.” sprak ze het kind bemoedigend toe.

Even deed het haar oogjes open, en een vaag glimlachje krulde om haar mond.

“Slaap maar, ik zorg nu voor jou.”

Ze droeg het kind de kamer uit, naar het huisje waar ze de komende drie weken zou herstellen. Daar zou ze alles leren wat ze moest weten om een goede vrouw te worden.

 

*

 

“Hey lieverdje, wat zie jij er mooi uit vandaag!”

Bewonderend keek Caro hoe de kleine meid van haar zus trots een rondedansje maakte zodat iedereen haar wijd uitwaaierende jurkje kon bewonderen.

“Ja, ik ga mijn ‘k munnie doen!” wist het kind blij.

Een eindje verder stonden de juf en de klasgenootjes in een groepje bij elkaar. Allemaal met hun mooiste kleren aan.

“En nu moet ik terug naar de juf, want we moeten nog eens luisteren en flink zijn.”  En ze huppelde alweer terug naar de andere kinderen.

Caro ging de kerk binnen en zag al snel haar zus. Er waren nog maar een paar plaatsen vrij.  Ze vond vlug haar ouders en de schoonouders van Ingrid. Ze zaten, piekfijn uitgedost, te fluisteren met elkaar. Caro begroette hen en schoof op de stoel naast haar man, de tweeling zat op schoot bij oma en opa.

De kerk was mooi versierd met papieren klaprozen en foto’s van de communicantjes, fier poserend met een klaproos in hun hand. Caro zat stil genietend rond te kijken, ze hield zo van het gevoel van saamhorigheid dat in een kerk hing, een warmte en vreedzaamheid die haar hart deed gloeien.

Iedereen glimlachte naar elkaar, er hing een plechtige ingetogen en toch gespannen sfeer. Zouden de communicantjes het goed doen? Ging het voorlezen vlot gaan? Zou elk kind de liedjes en de dansjes kennen?

De communicantjes waren nog erg klein, toch betekende deze viering de start van een nieuwe episode in hun kinderleven. Ze zouden nu niet langer ‘de kleintjes’ zijn, maar stilaan opschuiven naar de ‘groten’.

Er klonk belgetingel, de pianist begon te spelen en alle hoofden draaiden naar de ingang van de kerk.

Meneer pastoor was binnengekomen met aan elke hand een kindje dat hij nu zachtjes voor zich uit duwde. De andere kinderen liepen hem ook voorbij, een rijtje kinderen links en rechts van hem tot hij helemaal achteraan de rij stond. Plechtig liepen de kinderen naar voor, met de pastoor als een herder achter hen aan. Hun oogjes schitterden toen ze de één na de ander de familieleden zagen zitten, er werd gezwaaid en hier en daar pinkte een oma een eerste traantje weg.

De viering was begonnen.

 

*

 

Stil zat Amina achter haar naaimachine.

Er waren vier weken sinds de besnijdenisceremonie voorbij gegaan.

Van de zeven meisjes hadden er twee het niet gehaald. De koorts had hen te veel uitgeput en Allah had hen tot zich geroepen.

Amina had drie dagen en nachten bij het bedje van haar lievelingsnichtje gezeten, biddend tot Allah om haar niet tot zich te roepen. Beetje bij beetje had ze het leven zien verdwijnen uit het lijfje van het kleine kind.

Dagen had ze geweend en geroepen en getierd tot ze zelf helemaal uitgeput was.

“Waarom? Waarom?” had ze ontelbare keren tot Allah geroepen. Waarom net dit kleine meisje, haar oogappeltje, haar kleine prinsesje?

Het meisje was begraven in het jurkje dat Amina voor haar had gemaakt.

Er brak iets in haar toen ze het kind bleek en levenloos zag liggen. Het jurkje waar ze zoveel liefde in verwerkt had was een doodskleed geworden.

Amina was sindsdien stil geweest, ze had haar lach verloren.

Voor de vijf overgebleven meisjes waren de dagen langzaam voorbij gegaan.

Er heerste een dubbel gevoel. Iedereen was blij dat vijf meisjes nog leefden maar ook triest dat er twee kinderen gestorven waren.

Er was geen groot feest zoals gebruikelijk was. De dood van de twee zusjes was nog te kort geleden. Het was niet goed om Allah uit te dagen door zo kort na een begrafenis te feesten. Maar de vijf hadden wel de cadeautjes gekregen en de mooie jurkjes die gebruikelijk waren. Hun handen en haren werden met henna versierd, er werd lekker gekookt en speciaal voor hen werd er een gerecht met veel vlees klaargemaakt. Vanaf nu mochten ze niet meer met de jongens omgaan. Ze waren klaar om vrouw te worden, en hadden dat angstige bedeesde over zich dat zo kenmerkend was voor meisjes die de ceremonie pas hadden doorstaan.  Je kon het zien als een vrouw niet besneden was. De man zat dan nog in haar ogen, zo’n vrouw keek brutaal de wereld in.

 

“Amina? Is alles ok?”

Haar vriendin legde troostend een hand op haar schouder, ze wist hoe veel verdriet Amina had.

“Ah, het gaat wel.”

Amina keek triest op. Haar vriendin werd steeds dikker en ronder, binnenkort zou de baby komen. Voorzichtig voelde ze aan het bolle buikje en tot haar verrassing schopte het kindje zachtjes tegen haar warme hand. Verrukt keek ze op.

Wijs legde haar vriendin een hand over Amina’s hand.

“Allah neemt en Allah geeft.” fluisterde ze zacht.

“Allah geeft en Allah neemt.” herhaalde Amina.

Ze voelde tranen prikken in haar ogen en veegde ze met haar mouw weg.

Zuchtend vermande ze zich, het was niet goed om zo lang te treuren.

“Ik ben heel blij voor jou, het wordt de mooiste en liefste baby ooit.”

Haar vriendin glimlachte en knikte, “Geen leven zonder dood en geen vreugde zonder tranen.”

Stil bleven de vrouwen zo zitten, Amina met haar hand op het ongeboren leven, de hand van haar vriendin bovenop de hare, de vingers van hun andere hand verstrengeld in elkaar.

 

 

*

 

“Kom lieve schat, jij mag het communielammetje aansnijden!”

Ingrid riep haar dochtertje tot bij de tafel waar het ijslammetje op een schotel lag.  Mooi  versierd met allerhande soorten fruit.

Trots ging het kind met haar rug tegen mama’s buik staan. Ze hield het mes tegen de hals van het lammetje en sneed voorzichtig het hoofdje eraf. De vruchtencoulis liep in een rood stroompje over de rest van het roomijs.

“Eiiiiks!”  Giechelde het kind, “Er komt bloed uit!”

Ingrid schoot in de lach, “Dat is geen echt bloed, dat is frambozensaus!” verzekerde ze haar dochtertje, “Dat lust je toch graag?”

“Hmmm, ja!  Dat is lekker!” wist de kleine meid, en vragend keek ze omhoog naar haar mama.  “Mag ik het hoofdje opeten?”

Ingrid lachte en gaf het schoteltje met het roomijs aan haar oogappeltje.

“Natuurlijk mag je dat! Het is jouw ijstaart, en jouw feest lieve schat!”

“yummie!” Voorzichtig liep het kind naar haar plekje aan tafel, waar ze aan oma en opa het hoofdje liet zien.

“Kijk, ikke zelf gesneed!” zei ze.

“Zelf gesneden schatje, zelf gesneden.” wist oma te verbeteren.

“Ja, ja, jij gaat later een prima slager worden!” grapte opa.

“Nee, ik word later mama!” Vertelde de kleine meid eigenwijs, “En dan ga ik trouwen met papa!”

Oma en opa schaterden het uit bij zoveel wijsneuzerigheid en keken vertederd hoe hun kleinkind snoepte van het ijs.

Caro glimlachte toen ze haar nichtje zag smullen van het ijslammetje. Haar tweeling hield niet zo van ijs, die waren aan het snoepen van de cake die Ingrid in plakjes gesneden op tafel had gezet.

Ze stond op en ging tot bij haar zus. “Zal ik even helpen Ingrid?” vroeg ze, terwijl ze daad al bij het woord voegde.

Ze verdeelde de bordjes met roomijs terwijl haar zus sneed.

Al gauw was het lammetje verdeeld in porties, de laatste twee waren voor Caro en Ingrid.

“Kom je even mee Caro?” vroeg Ingrid, “Ik heb iets dat ik je wil laten zien.”

Vragend keek Caro naar haar zus en liep mee naar het keukentje.

Ingrid haalde een enveloppe uit haar handtas en gaf hem aan Caro.

“Hier, kijk eens?” vroeg ze.

Nieuwsgierig zette Caro de bordjes op het aanrecht en keek wat er in de omslag zat. Voorzichtig haalde ze er een dun papiertje uit. Het was een wazige echo-foto.

Blij keek Caro naar haar zus “Ben je ... ?”.

“Ja, de baby komt in de herfst.” Trots keek Ingrid haar aan. Beschermend hield ze haar handen voor wat binnenkort een bol buikje zou zijn.

“Ik ben zo blij voor jou, wat leuk! Ik wordt weer tante!”

Ontroerd sloeg Caro haar armen rond de schouders van haar zus en trok haar dicht tegen zich aan.

Stil bleven ze even zo staan.  Blij dat ze samen weer konden uitkijken naar een nieuw klein mensje.

 

-~o~-

 

Eind

 

Geschreven door Dulcera op 07-08-2006 om 18:36:48.