23-01-07

Deel 5: De orde van de grijze steunkous.

De orde van de grijze steunkous, deel 5: Bunny-pakjes versus habijten .

 

“Uh, uh!” Met een van afschuw vertrokken gezicht duwde Anneke het pakje weer weg dat Caroline haar voorhield, “Nog in geen honderdduizendmiljoen jaar trek ik dat aan!” De manier waarop ze “dat” uitsprak deed vermoeden dat ze nog liever naakt door de Gentse binnenstad zou flaneren dan het pakje te passen.

Tania wou geen ‘nee’ horen: “Kom aan Anneke! Wij dragen het toch ook! Er is geen mens die op jou zal letten en jij hebt nog het leukste figuur van ons allemaal!”

De andere vriendinnen knikten instemmend.  Caroline kwam demonstratief met haar achterwerk schuddend voor Anneke staan, “Kijk naar mijn kont in dit pakje, daar kan een volledige kleuterklas op zitten!”

De vriendinnen grinnikten, “Komaan An, gewoon doen! Die pakjes zijn fantastisch, als we zo niet winnen dan weet ik het niet meer!”

De meisjes waren het er over eens, de outfits waren heel goed gelukt, de mama van Kristel was er een ganse week aan bezig geweest. Het waren prachtige bunny-pakjes geworden, fel roze met een boordje van spierwit nepbont aan de halsuitsnijding en sexy kanten jarretelle gordeltjes.

“Tja, Anneke, als jij niet wilt gaan we iemand anders moeten zoeken, iemand met net zo’n fijn figuurtje als jij hebt.” Kristel besloot zich ermee te moeien, “En dat gaat niet simpel zijn, mijn mama heeft die pakjes op maat gemaakt.”

An keek van het ene gezicht naar het andere, “Het scheelt dat het maar halfweg het nummer te zien zal zijn natuurlijk,” ze begon te twijfelen “Allez vooruit, geef hier, ik zal dat onzedig ding eens passen.”

En met een diepe zucht begon ze het pakje dan toch maar aan te trekken.

 

*

 

Nerveus stapten zuster Dulcinea en zuster Elizabeth door de gangen. De abdis had alle nonnetjes nog eens samen geroepen om te polsen naar de meningen over het plan van broeder Petrus.

Ze spraken geen woord, de stilte werd enkel doorbroken door het doffe getik van hun hakken - drie centimeter hoog zoals het betaamt – en het ruisen van hun habijt.

Voor de deur van de bibliotheek ontmoetten ze broeder Petrus.

“Ha! Mijn favoriete nichtje!” hij begroette zuster Elizabeth enthousiast met een klapzoen op haar wang.

“Dag nonkeltje!” Het vrouwtje onderging de begroeting lijdzaam, ze was het gewend van haar oom, maar zuster Dulcinea deinsde achteruit toen broeder Petrus aanstalten maakte om haar net dezelfde behandeling te laten ondergaan.  Zedig stak ze een hand uit, die broeder Petrus met een grijns schudde.

“Hoe gaat het ermee broeder Petrus?” informeerde ze formeel.

“Goed! En met u?”

“Ça va, gezien de omstandigheden.”

Broeder Petrus nam haar nog eens goed op, die zorgrimpel leek dieper geworden, en haar ogen die vroeger glinsterden van plezier stonden dof.  Het was overduidelijk dat de brave zuster met de ganse zaak diep in haar maag zat.

“We gaan die omstandigheden ne keer rap naar ons hand zetten!” sprak hij de brave zuster moed in, waarop hij de deur van de bibliotheek openduwde.

Ze bleven met hun drieën verbaasd in de deuropening van de bibliotheek staan. De laatste persoon die ze daar nu hadden verwacht glimlachte hen minzaam toe.

 

*

 

“Het moet!” Felix probeerde de verkoopster te overtuigen om de nonnenhabijt aan te passen.

“Ik zou niet weten waarom!” met demonstratief gekruiste armen stond ze voor Felix, “Dit is gewoon te gek voor woorden! Omdat die reclame zo goed loopt moet ik dat daar,” ze wees met een van afschuw vertrokken gezicht naar het kostuum. “dragen op de braderie? Ben jij zot geworden of zo?”

“Denk aan de klanten, die gaan dit geweldig vinden!” probeerde hij.

“Die klanten kopen al twintig jaar kousen bij mij, zonder dat ik daar ooit een carnavalskostuum voor hoefde te dragen!” nijdig bleef ze Felix bekijken.

Felix besloot zijn meest overtuigende argument in de strijd te gooien: “Ik verdubbel je bonus als je het draagt.”

Waarop de verkoopster prompt akkoord ging: “Had dat dan eerder gezegd, toon me eens rap hoe ik dit moet aantrekken?”

 

*

 

“Ik vind dit ganse plan immoreel, verderfelijk en onzedig!” vond zuster Catharina, ze sprong op van haar stoel en stampte boos met haar voeten. Zelf had ze net voorgesteld om het 500-jarig bestaan van het klooster ingetogen te vieren met een kerkviering, maar de abdis én deken Albertus hadden, tot haar verbijstering, dat voorstel naast zich neergelegd.

Tot ieders verrassing had deken Albertus onaangekondigd een bezoek gebracht aan de orde, en nu luisterde hij aandachtig naar ieders argumenten.

Zuster Dulcinea zat stil aan de tafel, ze had nog niks gezegd en keek somber voor zich uit.

“Ik geloof dat het geen kwaad kan om de mening van zuster Dulcinea te vragen,” vond de abdis.

Bedachtzaam keek zuster Dulcinea op.

“Ik maak me eerlijk gezegd een beetje zorgen of dit ganse gebeuren de goede naam van het klooster niet gaat schaden.” Zuster Dulcinea had eindelijk de moed gevonden om haar grootste angst uit te spreken.

“Het siert u, beste zuster, dat u daar aan denkt!”  De deken stond op van zijn stoel en keek de nonnetjes ernstig aan, “Ik maak me daar zelf ook zorgen over.”

Zuster Catharina sprong op: “Dat zeg ik nu ook al de ganse tijd, dat dit ganse gedoe gewoon niet door de beugel kan!”

Streng keek de deken haar aan, “Dat hadden we al begrepen beste zuster, ik heb uw brief aandachtig gelezen.”

Betrapt sloeg zuster Catharina haar ogen neer, ze had er geen rekening mee gehouden dat de deken haar zou verklikken.

Boos fluisterde zuster Elizabeth tegen zuster Maria-Helena: “Het was te verwachten dat dat kreng de deken zou inlichten, ik vroeg me al af vanwaar dit onverwachte bezoek kwam!” haar buur knikte instemmend, zuster Catharina was hier toch echt wel haar boekje te buiten gegaan!

“Ik ben hier vandaag omdat ik graag wilde weten wat er hier allemaal aan de hand is.” Monsterend keek deken Albertus de zustertjes aan, “Zuster Dulcinea, ik hoop dat u een helder licht op deze zaak kan laten schijnen?”

“Ik geloof dat ik dat kan, het is allemaal hopeloos uit de hand gelopen.” Kort deed ze haar verhaal.

 

... wordt vervolgd ...

Deel 4: De orde van de grijze steunkous.

De orde van de grijze steunkous, deel 4: Niet denken, doen!

 

“Felix Lapsus! Wat moet dit voorstellen?”

Ruw werd Felix uit zijn middagdutje gewekt door de boze stem van zijn baas, die een blad papier voor zijn neus heen en weer wapperde.

“Wa, wa, wasseraandand?” stamelde hij, nog half in dromenland.

“Wat er aan de hand is? Wat er aan de hand is? Ik ga je zeggen wat er aan de hand is! Die vervloekte kwezels gaan ons een proces aan onze broek lappen omdat ze geen toestemming gaven voor die reclame van u!”. Met een hoofd rood van razernij hing de baas boven Felix.

“Huh? Ik dacht dat dat een gesloten orde was? Hoe zijn die dat te weten gekomen?”. Felix wreef zich verwonderd in het haar.

“Hoe moet ik nu weten hoe die nonnen hiervan lucht hebben gekregen? Ze zijn er van op de hoogte gekomen en ze dreigen met een proces! Wat ben jij van plan daar aan te doen?”

Felix keek zijn chef peinzend aan.  Deze verwachtte dat hij iets deed, en koortsachtig dacht hij na.

“Ze dreigen ermee? Kunnen we niets regelen dan?” vroeg hij voorzichtig.

“Die campagne heeft al mooi geld opgebracht. Het zou jammer zijn als we ze moesten stoppen.”

“Doe dat dan!”  Zijn meerdere smakte het blad papier op het bureau.  “Hier. Er staat een telefoonnummer van ene broeder Petrus op die brief, bel die man op en doe je best!” en met een luide klap sloeg hij de deur achter zich dicht.

Zonder er verder bij na te denken nam Felix de brief vast, zocht met zijn vinger het telefoonnummer op, nam zuchtend met zijn andere hand de telefoon vast, klemde hem tussen zijn wang en zijn schouder en toetste het nummer van die broeder Petrus in.

“De orde van de Gramschaploze ontvangenis van God, broeder Petrus luistert.” klonk het aan de andere kant.

Verrast door de zware bariton was Felix even het noorden kwijt.  “Eugh... Felix Lapsus, verkoper van de firma Sokken en Kousen.” stamelde hij, “Ik eugh ... heb uw brief hier bij me liggen.”

“Ah! Meneer Lapsus! Ik heb met u een flink eitje te pellen”, bromde broeder Petrus de man toe.  “We zijn niet gelukkig met uw reclamecampagne. Helemaal niet gelukkig ... “.

Broeder Petrus deed zijn best om zo boos mogelijk te klinken, want eigenlijk wist hij al lang wat hij van de man wilde.

“Ja, eugh ... tja ... kunnen we dit niet oplossen?” vroeg Felix.

“Wel, luister goed, ik ga u dat hier direct eens zeggen zie!” beet broeder Petrus hem toe. Hij vertelde kort wat hij precies van Felix verwachtte.

“O, ik denk dat mijn baas hier wel mee gaat kunnen leven ...” Felix vond dat het al bij al nog meeviel.

“Gij moet niet te veel denken, gij moet doen!” maande broeder Petrus hem aan tot actie.  “Ik wil tegen vrijdag een schriftelijk akkoord dat je bedrijf mijn voorstel aanneemt of er komt evengoed nog een proces van!”, ging hij dreigend verder.  “En dan gaan jullie er NIET zo goedkoop vanaf komen!” Hij benadrukte de ‘niet’ en na een kort afscheid eindigde broeder Petrus het gesprek, Felix verward achterlatend.

“Man, man, man. Van alle gekke voorstellen die ik al ooit hoorde is dit wel ...”

Hoofdschuddend ging hij naar de baas om hem te vertellen over de minnelijke schikking die broeder Petrus had voorgesteld.

 

*

 

“Tania! Heb je dit al gelezen?” Inge kwam met een krant aanlopen. Ze zaten gezellig met vijf meisjes op kot. Samen huurden ze een appartementje in Gent. Dat was handig, want ze waren alle vijf laatstejaars verpleegkunde en onafscheidelijk.

“Kijk, mijn tante stuurt me dit. Een wedstrijd in ons dorp; De hoofdprijs is een reis naar Calcutta!”

Tania was meteen bij de les. “Naar Calcutta! Jee zeg! Als we dat konden winnen!” De meisjes droomden al van bij het begin van hun opleiding over een stage in Calcutta. Het was hun droom om de nonnetjes van een orde uit hun geboortestreek te bezoeken en mee te helpen met het verzorgen van de patiënten. Helaas was de reis te duur en bleef het bij dromen.

“Zou het niet mooi zijn als we deze wedstrijd wonnen en deze zomer samen naar Calcutta konden?” Inge was door het dolle heen. Ze rook een buitenkansje en wou haar vier vriendinnen overtuigen om mee te doen met de wedstrijd.

“Hmm, vertel eerst maar eens wat die wedstrijd inhoudt?” vroeg Tania, voorzichtig als altijd.

“Wel, als ik het allemaal goed begrepen heb, is het een soort van play-back wedstrijd. Eens kijken ...” Inge bladerde in de krant tot aan de wedstrijd. “Hier heb ik het.” Vlug las ze voor wat er van de deelnemers verwacht werd. “ En de winnaars reizen naar Calcutta om een bezoek te brengen aan hun klooster daar.”

Tania werd er even stil van. Dromerig zei ze: “Naar hun klooster in Calcutta, jee .... “ Kordaat sprong ze op. “Dit is ons op het lijf geschreven. We moeten dit winnen!”  Vastberaden keek ze haar vriendin aan. “En de anderen moeten meedoen!”

“Pfffft!  Caroline en Kristel zullen meteen enthousiast zijn, maar ons Anneke? Die is zo verlegen.”

Peinzend keken de vriendinnen elkaar aan.

“Maar ze wil dat reisje ook heel erg graag. Daar ben ik zeker van.” Inge kwam tot een besluit. ”Het lukt ons wel!”

“Kom, geef me snel dat formulier. We schrijven ons in!”

 

*

 

Zuster Dulcinea was eigenlijk niet zo gelukkig met het plan van broeder Petrus. Ze was meer dan genoeg in verlegenheid gebracht door die afschuwelijke reclame en had geen zin om het nog wat meer op de spits te drijven. Dat zij degene zou zijn die de winnaars van de wedstrijd zou begeleiden naar hun klooster in Calcutta vond ze wel leuk. Toen ze nog een jonge novice was, had ze enkele jaren in het klooster doorgebracht. Maar omdat de streek toen te gevaarlijk werd en zij als jonge non nog te onervaren, kon ze niet blijven. Dromend dacht ze terug naar die tijd. Ze herinnerde zich de dankbaarheid van de mensen die ze mocht verzorgen, hoe gelukkig de mama’s en hoe blij de kindjes waren.  Ze wist nog hoe warm het daar was, en hoe zoet de vruchten waren die gewoon aan struiken naast de weg groeiden ...

“Ben je aan het dromen van een knappe prins op een wit paard?” vroeg zuster Elizabeth plagend.

Betrapt voelde ze een blosje naar haar wangen stijgen.

“Ah, nee kind. Onzelieveheer is de enige voor mij.”

Om zich een houding te geven, wees ze naar het stapeltje post in zuster Elizabeth’s handen. “Wat heb jij een hoop brieven mee!”

“Ja, leuk hé! Ik denk dat het de eerste inschrijvingen voor de wedstrijd zijn. Ik hoop dat er veel kandidaten zijn. Met de opbrengst kunnen we ons klooster in Calcutta flink steunen!”

Zuster Dulcinea keek de jonge non twijfelend aan. “Ik weet het nog zo niet. Dit zou ook wel eens blijvende schade kunnen toebrengen aan ons imago. Ik hoop maar dat broeder Petrus weet wat hij doet ... “

“Natuurlijk weet hij dat. Hij heeft het goed voor met ons!”

“Laat ons dat hopen, maar om zeker te zijn denk ik dat het geen kwaad kan om tijdens de completen een extra gebedje te doen voor Sint-Antonius, baat het niet ...”

“Dan schaadt het ook niet!” stemde zuster Elizabeth volmondig in.

 

*

 

“Ik denk dat u dit maar beter kan lezen!” De klerk stak deken Albertus een briefje toe. “Dit komt van de Orde van de Gramschaploze Vlekkeloze Ontvangenis van God.  Zuster Catharina is blijkbaar niet tevreden met de gang van zaken in het klooster.”

Nadenkend wreef deken Albertus over zijn kin, terwijl hij de brief las.

Bedachtzaam legde hij de brief weer neer, keek de klerk peinzend aan en kwam tot een besluit.  “Het lijkt me allemaal een beetje uit de hand te lopen daar!  Rij de auto voor, we gaan onze brave nonnetjes een bezoekje brengen! “

 

... wordt vervolgd ...

 

01-01-07

Deel 3: De orde van de grijze steunkous.

De orde van de grijze steunkous, deel 3: Varkentjes wassen.

 

 

Met een tevreden grijnsje dacht zuster Catherina terug aan haar gesprek met de abdis. Deze was niet boos geweest, nee, ze was woedend geweest. Kwaad had ze uitgeroepen: “De goede naam van de Orde van de Gramschaploze Vlekkeloze Ontvangenis van God wordt zeer beslist niet straffeloos te grabbel gegooid!”.

In haar woede had ze haar vuist hoog boven haar hoofd geheven en de kap van haar habijt was er zelfs scheef van gaan staan, wat er een beetje vreemd uitzag omdat de abdis door haar hoge leeftijd al wat kalende was.

Na een glaasje water was ze gekalmeerd en had ze zuster Catharina opgedragen om broeder Petrus van hun broedercongregatie te contacteren, hij was een man van de wereld en zou wel weten hoe dit varkentje te wassen!

Grinnikend wreef zuster Catharina in haar handen terwijl ze stevig door de gangen van het klooster stapte. Binnenkort zou deze ganse zaak de deken ter oren komen en dan kon zuster Dulcinea de post van priores wel vergeten!

Fluks nam ze de telefoon, ze was eens benieuwd hoe de brave broeder zou reageren op dit nieuws!

“Zuster Catharina, ik had het kunnen weten dat malheuren nooit alleen komen!” met een beetje wrevel in zijn stem begroette broeder Petrus ons nonnetje.

“Zeg, zeg, een beetje respect graag!” vroeg ze met haar strengste stem, “Ik bel voor een zaak van het grootste gewicht!”

“Ja, ja, ik twijfel daar niet aan, gij hebt nooit de chocolade kunnen verzaken, vertel het ne keer braaf mens.”

“Broeder Petrus!” kreet ze ontzet, zo veel familiariteit was ze nu echt niet gewoon, hij nam het wel niet nauw met omgangsvormen maar deze uitlatingen waren er ver over!

“Ga’k het nu nog bijna horen?” bromde hij.

“Als ge uw manieren houdt!” eiste ze, waarop ze van wal stak.

*

 

Zuster Maria-Theresia was, naar wekelijkse gewoonte, rustig appeltjes aan het kiezen aan één van de kramen van de donderdagochtend-markt toen een dorpsbewoner haar aansprak.

“Dag zuster,” tikte hij met zijn wandelstok op haar schouder – zuster Maria-Theresia was ruim één meter tachtig – “Dat is me wat met die reclamemensen tegenwoordig zeg! Hoeveel hebben jullie gekregen voor die campagne?” Vragend keek de dorpsbewoner haar aan, het was een al wat oudere man die met twinkeloogjes naar haar keek. Hij schoof zijn wandelstok nog wat beter onder zijn arm, en rechtte zijn stramme lijf om zeker niets van haar verklaring te missen.

“Pardon?” zuster Maria-Theresia probeerde tijd te winnen door een vraagje te stellen.

Het mannetje liet zich echter niet van zijn missie afbrengen: hij wilde één van de zusters de pieren uit haar neus vragen en zo te weten komen hoeveel ze nu eigenlijk gekregen hadden voor die campagne.

“Die reklaam!” herhaalde hij stellig, en wees met zijn wandelstok naar een reclamepaneel op de muur boven de krantenwinkel.

Zuster Maria-Theresia draaide zich om en voelde zich ter plekke misselijk worden. Bovenaan de gevel hing een levensgrote poster, dezelfde foto die ze ook in het tijdschrift gezien had en om de zaak compleet te maken stond er nog bij “deze week aan halve prijs!”

“O, la, laaa ... God, Maria, Jozef! “ ze maakte een kruistekentje en draaide zich meteen fluks om, hier moest zuster Dulcinea van weten.

Zonder nog netjes ‘dag’ te zeggen liet ze het mannetje staan, besteedde geen aandacht meer aan de appeltjes verkoper die net met haar zakje appeltjes kwam aanzetten en haastte zich terug naar het klooster.

De Appeltjesman en de wandelstokman keken elkaar verbaasd aan.

“Het was net alsof ze die poster nog nooit gezien had?”

“Ze gaan daar toch wel toestemming voor gegeven hebben zeker,” speculeerde de fruitkraamverkoper, “want anders gaat dit nog een deftig staartje krijgen, mijn gedacht!” en ze waren het er roerend over eens dat hierover het laatste woord nog niet gezegd was.

 

*

 

Gezwind stapte broeder Petrus van zijn racefiets, hij hield ervan om eens goed uit te waaien en vandaag zou hij zeker een fris hoofd nodig hebben. Hij parkeerde zijn fiets op de binnenplaats, drapeerde zijn pij netjes rond zijn buik en wreef zijn haar weer in de goede richting. Het is niet omdat we celibatair leven dat we er niet goed mogen uitzien, dacht hij bij zichzelf.

Met een dof klapje liet hij de deurklopper op de oude eiken kloosterdeur neerkomen.

Terwijl hij toch moest wachten – geduld was een schone zaak - keek hij even goedkeurend rond op de binnenplaats.

Ja, die ging zeker groot genoeg zijn! In zijn hoofd had hij al een volledige schets uitgetekend, hij genoot nu al van het idee. Ergens meende hij een bult in de kasseitjes te zien. Zou hij durven? Ah, waarom ook niet, dacht hij, en om zeker te zijn dat de ondergrond vlak genoeg was ging hij op handen en knieën midden in het plein zitten en keek eens goed rond of er nergens oneffenheden of bulten waren.

 

Zuster Dulcinea trof hem zo aan, het leek alsof hij de grond op de binnenplaats op pauselijke wijze aan het kussen was. “Broeder Petrus?” vroeg ze aarzelend, even twijfelde ze of het hem in zijn hoofd was geslagen.

“Zuster Dulcinea!” Hoe is’t er nog mee?” Fluks kwam hij weer recht om haar te begroeten met een stevige handdruk. Ze zag er zorgelijk uit, op haar voorhoofd een groef die er eerder niet zat en ze leek zowaar een beetje vermagerd.

“Goed, goed, gegeven de omstandigheden ... Dat is me wat met die grijze kousen, had ik het van tevoren geweten ...” haar stem klonk somber en broeder Petrus kreeg een tikkeltje medelijden.

“Kom, kom, we gaan dat varkentje hier ne keer rap wassen, maakt u zo geen zorgen!” probeerde hij haar gerust te stellen.

“We zullen wel zien zeker?” zuchtte ze, “Kom, laat ons niet langer talmen, de abdis zit al te wachten!” en samen gingen ze naar de grote zaal.

 

... wordt vervolgd ...

17:32 Gepost door Dulcera in verhaal | Permalink | Commentaren (3) | Tags: klooster, nonnetjes, steunkous, reclame, advertentie, geloof |  Facebook |

18-12-06

Deel 1: De orde van de Grijze Steunkous.

De orde van de Grijze Steunkous, deel 1: De gewiekste verkoper.

 

Zuster Dulcinea snelde door de gangen. De deurbel had haar luid klingelend uit haar middagslaapje gehaald en bezoek laten wachten omwille van luiheid, of - Godvergeve! - traagheid, één van de zeven hoofdzonden, was niet netjes. Terwijl ze ijverig door de gangen beende voelde ze haar grijze kous afzakken, al lopende sjorde ze het onding terug op tot boven haar knie, maar ze wist dat ze net zo snel weer af zou zakken.

Te dunne knieën, dat zat in de familie - haar moeder had er ook - en weemoedig dacht ze even terug aan de tijd toen ze nog een klein meisje was.

Vooraleer de deur te openen loerde ze voorzichtig door het kijkgaatje, je wist maar nooit met al dat raar volk tegenwoordig!

Een manspersoon!

Voor de deur!

Haar hart sloeg een slag over.

Het was al zo lang geleden dat er nog een manspersoon voet binnenin de kloostermuren gezet had! Met spijt in haar oude hart dacht ze terug aan de tijd van de bezetting, en de jonge mannen die verscholen voor “den Duits” overal weggepropt zaten.

Behoedzaam opende ze de deur.

“Goedemorgen eerwaarde zuster! Mag ik me even voorstellen? Mijn naam is Felix Lapsus, verkoper voor de firma Sokken en Kousen en zeer verheugd u vandaag ons allernieuwste product te kunnen voorstellen!”

De iets te dikke man stond al in de gang, legde zijn koffertje op de grond en klapte het open.

“Eugh, … ja, eugh, … neen, wij kopen niet aan de deur …” aarzelde ze.

In het koffertje zat een verrassende verzameling grijze kousen. Nooit eerder had zij zo veel verschillende grijstinten bij elkaar gezien.

“O, maar ik kom ook niet verkopen!” de man keek er zeer gul bij, “Ik kom u een nieuw product voorstellen, waarvan ik zeer graag zou zien dat u het uitprobeerde en me dan vertelde wat u ervan vond, om zo het kwaliteitsartikel nog beter te maken, en onze klanten nog tevredener!” Hij struikelde over dat laatste woord, alsof hij het uit zijn hoofd geleerd had.

“Ah …, zo …” twijfelde zuster Dulcinea, terwijl ze bedachtzaam in haar haar krabde.

“Kijk! Hier heeft u het allernieuwste model steunkous, in vijf verschillende grijstinten. We hebben ze uit katoen voor de zomer, en warme wol voor de winter. Als u ze eenmaal heeft wil u nooit nog andere dragen!”

“Steunkous?” vroeg ze verwonderd, “wat steunt een steunkous?”

“Uw benen! Onze kousen bevorderen de circulatie in uw benen, en hebben daarbovenop nog de eigenschap dat ze nooit of te nimmer afzakken!”

Hij stak haar een paar grijze kousen toe en ze voelde hoe soepel en tegelijk ook stevig de kous aanvoelde.

“Trekt u ze gerust aan! U zal meteen overtuigd zijn van de kwaliteit van ons product!”

“Hier toch niet! God bewaar me!” kreet ze ontzet, de gedachte alleen al dat een manspersoon haar blote benen zou zien deed haar al blozen.

“Ik zou niet weten waarom niet!” knipoogde hij, en keek veelbetekend naar haar benen.

Ze keek, en moest tot haar grote schaamte merken dat allebei haar kousen ondertussen afgezakt waren en slobberig rond haar enkels hingen.

De schande!

Blozend sjorde ze de weerspannige kousen weer op tot netjes boven haar knie. Onkuisheid was een hoofdzonde, dit ging haar een avond rozenkrans bidden kosten.

“Ik zal ze wel een keertje uitproberen, als u me uw telefoonnummer geeft zal ik u daarna contacteren.”

Met haar meest stoïcijnse gezicht deed ze de deur terug open, en liet de man uit.

“Het was me zeer aangenaam, eerwaarde zuster” tikte hij met een vinger tegen zijn hoed “ik hoop vlug van u te horen!”

“ja, ja, tot later.” en ze sloot de deur.

Daar stond ze dan, met de kousen in haar vuist geklemd.

Zouden die nu werkelijk …? Gezwind trok ze haar schoenen uit, en veranderde van kousen.

God, Maria, Jozef! Ze maakte een kruisteken. Dit was een totaal nieuw gevoel. De kousen zaten perfect! Strak en stevig, maar toch soepel.

Haastig snokte ze de deur terug open en de man viel bijna binnen. Blijkbaar stond hij een sigaretje te roken, terwijl hij tegen de oude eiken deur leunde.

“Dat is snel!” wist hij.

“U stond te wachten!” even stond ze perplex, maar ging toen over naar de orde van de dag “Ik wil er meer! Hoeveel kan u er leveren?”

“Zo veel u er maar wilt zuster, en voor u maak ik een zacht prijsje, een mens moet zijn hemel ergens mee verdienen he?”

 

... wordt vervolgd ...