19-08-07

Net even je dag niet hebben ...

 “At the age of 37

she realized she'd never ride

through Paris in a sports car

with the warm wind in her hair” 

Voor de elfendertigste keer die dag luisterde ze met groeiende paniek naar elk woord dat Marianne Faithfull zong.  En voor de elfendertigste keer die dag realiseerde ze zich dat ze nog elf dagen had voordat ze ook zevenendertig jaar oud zou zijn. 

Zeven-en-dertig-jaar. 

Het getal bleef als een dreunend ritme door haar hoofd spoken.

Genoeg!

Ze draaide in haar hoofd de knop om.

Voor de eerste keer in haar leven zou ze iets gewaagd doen. 

Iets gedurfd. 

Iets vreemd. 

Met een rare kriebel in haar buik nam ze de telefoon en toetste het nummer in.

 

*

 

“Weet je wel zeker dat je dit wil doen zoetje?” had haar man die ochtend aan het ontbijt gevraagd.

“Ja.” Had ze beslist geknikt, en ze had er heel overtuigd bij gekeken, ook al had ze een raar gevoel in haar maag, en trilden haar handen, en dacht ze dat ze ging doodgaan.

“Ja, ik weet het zeker, ik moet het nu doen, of nooit.”

“Nog zes dagen ... “ dacht ze huiverend.

“Ok dan.” En hij had haar, met een peinzende blik op zijn gezicht, laten gaan.

 

*

 

Ze had gekozen voor een ‘vrije val’ sprong, vanuit een vliegtuig op 4000 meter hoogte.  Met twee instructeurs naast haar.  ‘Jumpmasters’, zo hadden ze zichzelf voorgesteld.

Ze had er al een ganse dag theorie opzitten, ze had alles geleerd wat ze moest weten: hoe te springen, houding, hoe ze de parachute moest openmaken.  Kortom, ze was goed voorbereid. 

“OK, het is zover, kom hier.” De ene wenkte haar dichterbij, terwijl de andere haar arm nam en haar in de deuropening trok.

Beangstigend diep kon ze de aarde zien, en de kromming, en wolken, de wind gierde genadeloos en de knoop in haar maag werd strakker aangetrokken. 

“Oh, God, waar ben ik aan begonnen?” kreunde ze, bijna onhoorbaar, maar ze wou niet opgeven.

Met de beide jumpmasters naast haar, hun armen stevig in de hare gehaakt, hurkte ze in de deuropening, “Drie, twee, één ... jump!” riep de ene, en ze werd door de opening getrokken, de vrije ruimte in.

Het leek alsof haar maag in de deuropening achterbleef, terwijl haar lijf meegesleurd werd door de beide mannen.  Keihard gilde ze, terwijl de wind oorverdovend in haar oren waaierde.  Ze kon niet blijven gillen, en terwijl ze naar adem hapte voelde ze een kneepje in haar linkerarm, de duim omhoog van de jumpmaster bevestigde dat alles liep zoals het hoorde. 

Ze vermandde zich, ze was volkomen veilig, links en rechts van haar was er iemand die haar kon helpen als het verkeerd zou gaan.

Zoals ze geleerd had spreidde ze haar armen en benen, om zo de weerstand te vergroten, en ze voelde hoe de instructeur aan de linkerkant alleen haar pols nog vast had.  Ook hij had zijn armen en benen gespreid, en ze vielen met ongeveer dezelfde snelheid. 

De man aan haar rechterkant trok haar echter naar beneden, en ze keek zijn kant uit.  Hij had de vrije-val positie nog niet aangenomen, en zijn arm zat nog steeds stevig in de hare gehaakt. 

Ze kneep in de hand van de jumpmaster aan haar linkerkant, en manouvreerde voorzichtig een beetje zodat zij ietsje sneller viel en hij dichter bij de jumpmaster aan haar rechterkant kwam.

Hij greep meteen de arm van zijn collega en bracht zijn gezicht dicht bij het hare.

“Trek je parachute open, hij is niet OK!” zijn stem ging bijna verloren in het lawaai van de wind, maar ze begreep dat er iets niet in orde was. 

Ze stak haar duim omhoog, trok aan het koord en liet de beide mannen los.

Ze zag nog net hoe de ene zijn benen om het lichaam van de andere had geslagen, en zijn parachute had opengedaan, en toen was hij ineens veel hoger dan haar.

“Vreemd,” dacht ze, “hun parachute ging veel sneller open dan de mijne?” en twijfelend keek ze omhoog.

Niks.

Er was geen parachute.

Ze trok nog eens aan het koord, harder nu.

Nog steeds niks.

Met een ruk trok ze het koord keihard uit zijn omhulsel.

Verbaasd keek ze naar het eindje touw dat ze nu in haar hand had.

Dit was niet goed.

Helemaal niet goed.

Dit was ... paniek vulde haar hoofd, ze vergat hoe ze haar positie moest handhaven en tolde stuurloos rond in de lucht.  In doodsangst zocht ze het tweede touwtje dat de reserve zou doen opengaan.  Keihard trok ze aan het plastic handvatje achter in haar nek.

En toen had zij twee touwtjes vast.

Verbaasd keek ze naar het touwtje met het blauwe plastic handvatje, in haar linkerhand, en het touwtje met het rode handvatje, in haar rechterhand. 

Haar hart ging in overdrive, ze had het gevoel dat ze ging stikken, en ze besefte ineens dat ze al die tijd vergeten was om adem te halen.

“O, shit!” bedacht ze, “Ik ga hier toch niet doodgaan zeker?”

De wind gierde nog steeds oorverdovend om haar heen, en de grond kwam beangstigend snel dichterbij. 

Hoeveel tijd had ze nog? 

Het besef dat het helemaal mis ging zorgde ervoor dat ze weer de correcte positie aannam, en om niet naar de grond te moeten kijken rolde ze zich over, zodat ze bijna horizontaal in vrije val naar beneden ging en de zon in haar gezicht priemde.

Ver boven haar hing de parachute met de beide jumpmasters.

Akelig ver al, eigenlijk niet meer dan een wazig vlekje.

Ineens herinnerde ze zich haar gsm.

Trillend en vechtend tegen de wind peuterde ze het toestelletje uit de zak van haar overall. Met grote moeite wist ze het nummer van het parachutecentrum op te roepen

“Het Oost-Vlaams parachutecentrum, waarmee kan ik u van dienst zijn?” vroeg een vriendelijke stem aan de andere kant van de lijn.

“Ja, eugh ... hallo, ik ben aan het neerstorten!  Ik heb alle twee de touwtjes van mijn parachute kapot getrokken en nu stort ik neer.” Gilde ze, half uit doodsangst en half om het gieren van de wind te overstemmen.

“Pardon?” vroeg de stem, met een overdreven Frans accent, dat haar mateloos irriteerde.

“Mens, ik stort neer, als je je niet haast ben ik een hoopje pulp! Is er iets dat ik kan doen om mijn parachute te laten opengaan?” 

“O, ... tja, dat zou ik niet weten mevrouw.  Ik verbind u door met de technische dienst!”

Een paar droge piepjes bevestigden dat ze inderdaad doorverbonden was, waarop een automatische stem vertelde: “Onze kantoren zijn helaas gesloten, u kan voor dringende oproepen terecht op noodnummer 0800-456 859, dank u wel!

Verbluft keek ze naar het toestelletje. 

Dan heeft een mens eens de tegenwoordigheid van geest om bij het neerstorten om hulp te bellen, krijg je dit ...

Tijd om het noodnummer te bellen was er niet meer, ze merkte aan het kleine stipje dat de beide jumpmasters geworden was dat ze bijna aan de grond was. 

Moedeloos stak ze het toestelletje terug in haar overall, spreidde haar armen en benen, als was ze een gevallen engel, en wachtte op wat ging komen.

 

*

 

“Wat een flauwe grap zeg!” met een nijdig gezicht duwde de telefoniste op de knop die de lijn zou doorverbinden en keek naar haar collegaatje.

“Hoezo, wat is er dan?”

“Ah, een hysterisch geval op zoek naar aandacht, ze wou me wijsmaken dat ze aan het neerstorten was, sommige mensen zijn gewoon ziek!”

“Wat heb je ermee gedaan?” vroeg het collegaatje belangstellend.

“Doorverbonden met het automatische antwoordapparaat van de technische dienst, daar is nu toch niemand en dan was ik ervan af.”

“Hi, hi,” lachte het collegaatje, en samen waren ze het er roerend over eens dat sommige mensen toch echt wel te gek waren om vrij los te lopen.

 

*

 

De parachute met de twee jumpmasters was nu nog slechts een piepklein stipje boven haar.  “Vreemd,” dacht ze nog, “Hun parachute is al een eindje weggezweefd.”

Ze begon te lachen, “Wat ben ik toch een kip zeg, dat is de wind natuurlijk!” en ze was bijzonder ingenomen met zichzelf omdat ze dat wist, ondanks het gegeven dat ze binnen dit en enkele ogenblikken een hoopje pap op de grond ging zijn.

“Goh ... waarom zie ik mijn leven niet als een film voor mijn ogen?”

Ineens was er een oorverdovend lawaai, ze voelde overal prikken en porren terwijl ze door de kruin van een boom heen viel.

Even bleef ze met haar nutteloze parachute haken aan een tak, voor deze afbrak, met een doffe smak viel ze door het struikgewas.

De klap was onbeschrijflijk.  Alles deed een fractie van een seconde pijn, meer pijn dan ze kon verdragen.  En toen werd het zwart.

 

*

 

“Bel de ambulance!” in paniek kwam één van de instructeurs binnenvallen in het kantoortje van de telefonistes.

“Waarom? Wat is er gebeurd?” vroeg de jongste, maar de oudste had de tegenwoordigheid van geest om de telefoon te nemen.

“Een van onze cursisten, een jonge vrouw nog, haar parachute is niet opengegaan! Bel de ambulance!” Gilde hij, de wanhoop en het afgrijzen stond op zijn gezicht te lezen.

“Oh, God!” mompelde de jongste, “Dat is die vrouw die net gebeld heeft!”  Ze kon wel door de grond gaan van schaamte, en ze kreeg een wee gevoel in haar buik.

 

*

 

“Het is een mirakel dat ze die val overleefd heeft”, hadden de dokters gezegd.

En nu lag ze daar.  Ze had een paar breuken opgelopen, maar verder was het een wonder dat er geen inwendige organen geraakt waren.

De val door het bladerdek en op drassige kleigrond hadden haar leven gered.

“Waarom wordt ze dan niet wakker?” had hij gevraagd?

“We weten het niet.” was het antwoord.

Er was geen medische reden waarom ze niet zou ontwaken uit haar slaap.

“Het zou kunnen dat haar geest ervan overtuigd is dat ze dood is, en dat ze daarom niet bijkomt.” Had een weifelende arts gezegd, maar hij wist het niet zeker, “De mens is een complex wezen, het is niet alleen het lichaam dat helemaal in orde moet zijn, als de geest niet meewil kunnen wij pillen geven en wonden verzorgen zoveel we willen, dan haalt niks iets uit.”, hij had met een vreemde blik op zijn gezicht nog een keer haar pols gevoeld, hem een bemoedigende schouderklop gegeven, en was verder gegaan.

Hij zat al vijf dagen naast haar bed.

Morgen zou ze jarig zijn, en met weemoed dacht hij terug aan al de jaren die ze al samen beleefd hadden.

Elf jaar samen.

Twee kinderen.

Lief en leed gedeeld.

Hij kende elke vezel van haar lijf, hij kon voorspellen hoe ze zou reageren als er iets gebeurde, hij wist hoe ze ’s ochtends leunend tegen het aanrecht haar eerste kop koffie dronk, hoe ze een boterham smeerde en hoe ze een douche nam.

En de gedachte dat hij haar nu kwijt zou raken was meer dan hij kon verdragen.

“Kom terug liefje, kom alsjeblieft terug.” Smeekte hij fluisterend, terwijl hij in haar hand kneep.

 * 

“At the age of 37

she realized she'd never ride

through Paris in a sports car

with the warm wind in her hair” 

Het gekende muziekje wekte haar uit een diepe slaap, ze herinnerde zich vaag een vreemde droom, iets over parachutespringen, en neerstorten.

“Oh, God, wat een nachtmerrie zeg!” kreunde ze zacht terwijl ze in zijn hand kneep.

Ik ga dat muziekje toch eens moeten veranderen, altijd datzelfde om bij wakker te worden steekt ook tegen, dacht ze.

“Liefje?  Ben je wakker?”

“Mmmm ....”

“Vreemd” dacht ze, “ik voel hier precies iets onder mijn neus, en mijn lijf doet zeer en” ... Ze opende haar ogen en zag haar man naast haar zitten.  Zelf lag ze in wat onmiskenbaar een hospitaalbed moest zijn.

Geschrokken probeerde ze overeind te komen.

Pijn!

Veel pijn!

“Sssst, stil maar.” Haar man duwde haar voorzichtig terug dieper in de kussens.

“Je hebt een sprong van 4000 meter hoogte overleefd, je parachute ging niet open, er zijn wat ribben gebroken, dat zal pijn doen als je wil ademen.  Probeer je gewoon maar rustig te houden.” Haar man vertelde zo rustig hij kon wat er gebeurd was en wat ze had.

Peinzend bleef ze liggen, dus toch geen nachtmerrie. 

Ze overliep haar herinnering.

Ze herinnerde zich de val, en de knal toen ze de grond raakte.  Hoe was het mogelijk dat ze dit had overleefd?

Nadenkend bleef ze liggen terwijl de radio verder speelde.

 “The evening sun touched gently on

the eyes of Lucy Jordan

on the rooftop where she climbed

when all the laughter grew too loud 

And she bowed and curtsied to the man

who reached and offered her his hand

and he led her down to the long white car

that waited past the crowd 

At the age of 37

she knew she'd found forever

as she rode along through Paris

with the warm wind in her hair” 

Het liedje was uit, en ineens lachte ze.  Ze had dan wel nog nooit door Parijs gereden met de warme wind in haar haren, maar ze had een man die aan haar bed wachtte tot ze beter werd, en ze had een sprong zonder reddingszeil overleefd.

Moe leunde ze achterover en sloot haar ogen.

Zeven-en-dertig, geen leeftijd om bang voor te zijn, vond ze ineens, en ze dommelde weer in.