25-07-07

Nooit niks gedaan ... ?

 

“Je gaat er plezier mee hebben vandaag, ze zijn de ganse voormiddag wild en balorig geweest.”

Mijn collega spreekt me aan in het voorbijgaan, zijn ‘shift’ zit erop, de mijne begint.  Deeltijds onderwijs, wist ik veel, ik dacht dat lesgeven les geven was, niks meer en niets minder.

“Hoe zo, is het zo erg?” vraag ik, mijn hand op zijn arm probeert om hem even stil te doen staan.

“Ah, je kent ze ...” zijn stem sterft weg en hij kijkt me niet aan, “Het zijn geen lieverdjes, zolang ze nog iet of wat meewerken hoor je me niet klagen.”

Peter is tien jaar jonger dan ik, drie jaar afgestudeerd als leerkracht.  En nu al opgebrand, moe om tegen de bierkaai te vechten.  Ik weet dat hij de leerlingen met rust laat als zij hem met rust laten, maar zelf kan ik dat niet, als ze bij mij in de les zijn werken ze mee of stappen ze op.

Het is elke week weer vechten om ze ‘mee’ te krijgen, bij Peter hoeft niks, maar bij ‘die vrouw’ moeten ze werken.  En elke week weer krijg ik verwijten naar mijn hoofd geslingerd.  Dat Peter makkelijker is, en een man, en dat alleen mannen snappen waar het in het leven om draait.

Een heel verschil met mijn groep op dinsdag, die heb ik een ganse dag en die weten dat ze bij me moeten werken.  De groep van vandaag is gesplitst, ze krijgen twee keer een halve dag algemene vakken van Peter en twee keer een halve dag praktijk van mij.  En de donderdag is het het ergste, dan hebben ze ’s ochtends Peter gehad en kan ik er ’s middags meestal niks meer mee doen.  Het rare is dat ze de vrijdag meestal wel naar mijn les komen, en in de namiddag vaak spijbelen.

De schrik slaat me al om het hart als ik kijk waar ‘mijn’ leerlingen zijn.

Alleen Thomas staat nog op het speelplaatsje.  Hij is een rustige jongen, een gesloten boek uit een gezin waar werkloosheid van vader op zoon wordt doorgegeven.  Ik probeer af en toe tot hem door te dringen, hem wakker te schudden, maar tot nu toe zonder resultaat.

“Waar zijn de anderen?” vraag ik.

“Al naar de klas, ze wilden niet wachten.”

“Ah, en jij hebt wel gewacht?  Dat is attent van jou.”  Ik probeer om vriendelijk te klinken, toegankelijk.

“Nee, mijn sigaret was nog niet op, nu wil ik wel meegaan.” Met een overdreven gebaar duwt hij zijn sigaret uit en loopt met me mee naar de klas.

 

Stoer staat Omar met zijn rug voor de deur, hij blokkeert ze zodat ik niet naar binnen kan.

De anderen staan een metertje verder te kijken, schijnbaar emotieloos.

Mijn antennes gaan omhoog, hier klopt iets niet, ze voeren iets in hun schild!

Me boos maken mag ik niet doen, ik moet proberen om ze rustig in de klas te krijgen.  “Goedemiddag mannen, alles ok?” vraag ik glimlachend.

'Goedemiddag', mompelt Kenneth, maar zijn blik blijft op de grond gericht.  Hij is de makker van Giovanni, een jongen die het grootste deel van zijn nog jonge leven in instellingen heeft doorgebracht.

Omar beweegt niet.

Wat nu? 

Ik doe het enige wat ik kan bedenken, ik haal mijn acteer-talenten boven, ik trek een gezicht met hoog opgetrokken wenkbrauwen en kijk overdreven boos.

“Omar!” zeg ik dreigend en ik plaats demonstratief mijn handen in mijn zij.

Met een nonchalante glimlach gaat hij opzij. 

Ik neem de sleutel en wil de deur openmaken als ik merk dat er iets aan de klink hangt. 

Iets wit slijmerigs.

Iets vies.

Mijn hart gaat in overdrive.  Zenuwen en angst gieren door mijn keel, maar ik probeer om daar niks van te laten merken.

“O, God, jongens!” met afschuw kijk ik naar het groepje.  “Wat mankeert jullie toch?”

“Hey!  Wie zegt dat wij dit deden?” Omar komt voor mij staan, hij maakt zich breed maar komt evengoed nog tien centimeter te kort om me recht in mijn ogen te kunnen kijken.

“Jullie staan hier al eventjes, wie zou het anders geweest zijn?”  Ik haal een pakje papieren zakdoekjes uit mijn tas, en haal er een paar zakdoekjes uit.

Met een teleurgesteld gezicht wil ik de klink afvegen.

Giovanni is me voor, “Kom, geef hier, Omar zal dit wel afvegen!” Hij wappert de zakdoekjes voor het hoofd van Omar, die met tegenzin de doekjes neemt en de klink schoonmaakt.  “Ik krijg jou nog wel!” sist hij tussen zijn tanden naar Giovanni.

“Ik krijg jou eerst!” Antwoordt Giovanni dreigend, terwijl hij met zijn borst tot tegen de borst van Omar gaat staan.  “Je bent hier niet in je apenland, wij zijn beschaafd en houden onze manieren!”  de spanning is te snijden tussen de twee.  Thomas, Brahim en Kenneth gaan achteruit.

“Kom, hou op!” met een gebaar haal ik ze uit elkaar en ga tussen hen in staan.

Omar veegt de deur schoon, ik geef hem zwijgend de sleutel en hij opent de deur.

Iedereen gaat binnen.  Giovanni geeft me een blik van verstandhouding, en ik knik hem begrijpend toe.  We zullen niet meer spreken over het voorval, maar ik weet hoe de vork aan de steel zit.

De namiddag kan van start gaan.

 

*

 

 Nota: dit is een autobiografisch stukje ... ik heb niks mooier of lelijker gemaakt, het is gewoon zo gegaan.