02-11-06

Sexy knikker!

Een druppeltje zweet kriebelde zacht van mijn voorhoofd naar het puntje van mijn neus, en verdween toen naar de grond. Ik zag de toog met streekbier in de verte al staan, maar wist dat ik eerst nog ruim vijftig meter aan kraampjes moest overbruggen: samen met mijn vrouw, die overal wou kijken, tasten en keuren, om uiteindelijk toch niets te kopen.

“Een verfrissende scheerbeurt meneer?” vroeg de barbier, die nog op ouderwetse wijze met mes en scheerzeep baard en snor afschoor.

“Ja, dat lijkt me wel wat!” vond ik, en ging op de stoel zitten.

“Marcel! Ge gaat uw schoon moustache toch niet afscheren zeker!” kreet mijn vrouw verschrikt, “Ik wil met u niet meer buiten komen als ge die afdoet zelle!

“Maar, nee, zijt maar gerust, alleen maar scheren!” bromde ik naar mijn vrouw, waarop ze gerustgesteld naar het volgende kraampje ging.

Ik wist dat ze fier was op m'n grijswitte snor en golvende haar, en ineens had ik een ingeving!

“Scheert gij ook alles eraf?” vroeg ik stilletjes “Allez, ik bedoel, op mijne kop ook?” Tersluiks keek ik waar mijn vrouw al stond.  Gelukkig, ze had nog niets in de gaten.

“Als u dat graag wil doe ik dat meneer, dat is inderdaad lekker fris in de zomer!”

“Doe dan maar alles eraf, ik wil wel ne keer ne frisse kop met die warmte en tegen de winter is dat toch teruggegroeid!”

"Als u dat wenst meneer." antwoordde de man, waarop hij met een zwierig gebaar een handdoek rond mijn nek drapeerde.

Ik voelde hoe de barbier geroutineerd met de baard begon, omhoog ging naar de snor, om vervolgens mijn hoofd glanzend glad te scheren. In de spiegel zag ik hoe met elke haal van het mes een groter stuk van de pittige tatoeage tevoorschijn kwam, een aandenken van mijn tijd in het leger. Jammer genoeg vond zij die tattoo verschrikkelijk.  Een warm briesje streelde mijn plots heel naakte schedel, en ik zag mijn vrouw zich omdraaien.

“Marcel!” klonk het verschrikt.  Ik zag mijn teerbeminde kijken naar de tekening van het naakte stelletje, verstrengeld in iets wat ik met haar al jaren niet meer deed.

“Zo durf ik met u niet meer buiten! Ik ken u niet meer!” en kwaad stoof ze weg.

“Oei! Die ziet er kwaad uit meneer!” vond de barbier.

“Oh, dat geeft niet hoor, nu ben ik gerust voor een maand of twee, tot mijn haar weer langer gegroeid is.” antwoordde ik hem, met een veelzeggende knipoog.

Met een tevreden grijns op mijn gezicht rekende ik de barbier af, die verbluft achterbleef.

Zo, voorlopig hoefde ik niet meer mee met vrouwlief op uitstap. En grinnikend zocht ik de toog met streekbiertjes op.

 

*

 

Het was een veel te warme dag, en ergens had ik spijt dat ik niet gewoon thuis gebleven was om op een koel terrasje een frisse pint te drinken. Niet veel klanten ook die het aandurfden om op ouderwetse wijze hun baard te laten scheren. 

Ik zag een verveeld kijkende oudere man, met aan zijn zijde een typische, gezette, verlepte vrouw, geinteresseerd kijken naar mijn authentieke jaren '30 kapperstoel.

“Een verfrissende scheerbeurt meneer?” vroeg ik hem.

“Ja, dat lijkt me wel wat!” antwoordde hij, en hij ging op de stoel zitten.

“Marcel! Ge gaat uw schoon moustache toch niet afscheren zeker!” kreet de gezette dame verschrikt, “Ik wil met u niet meer buiten komen als ge die afdoet zelle!

“Maar, nee, zijt maar gerust, alleen maar scheren!” bromde mijn klant naar de vrouw.

“Scheert gij ook alles eraf?” vroeg de man toen stilletjes “Allez, ik bedoel, op mijne kop ook?”

Even wist ik niet wat te antwoordden, zou die man nu echt alles eraf willen? Enfin, een klant was een klant, en de centen waren welkom.

“Als u dat graag wil doe ik dat meneer, dat is inderdaad lekker fris in de zomer!”

“Doe dan maar alles eraf, ik wil wel ne keer ne frisse kop met die warmte en tegen de winter is dat toch teruggegroeid!”

"Als u dat wenst meneer."  en met een zwierige zwaai drapeerde ik een handdoek rond zijn nek.

Geroutineerd werd de man ingezeept en begon ik met de stoppelbaard, vervolgens omhoog naar de snor, om tenslotte het hoofd glanzend glad te scheren. Met elke haal van mijn mes kwam een groter stuk van een pittige tatoeage tevoorschijn, een naakt ontuchtig stelletje.

"Nou, nou, deze kerel is niet zo sloom als hij eruit ziet!" dacht ik.

“Marcel!” de vrouw van de man had gezien wat er gebeurd was, en werd bleek van ontzetting. “Zo durf ik met u niet meer buiten! Ik ken u niet meer!” en kwaad stoof ze weg.

“Oei! Die ziet er kwaad uit meneer!” vond ik.

“Oh, dat geeft niet hoor, nu ben ik gerust voor een maand of twee, tot mijn haar weer langer gegroeid is.” antwoordde de man, met een veelzeggende knipoog.

Hoofdschuddend glimlachend keek ik hem na.  Zijn glimmende 'sexy' knikker glom in de zon, en hij deed menige mond in verbazing openvallen.

Waar mannen al niet toe bereid zijn om niet mee op uitstap te hoeven met hun vrouw!

 

 

*************************************************

 

Geschreven door dulcera op 31-07-2005 om 19:36:15.

 

01-10-06

Professional, of dweil?

 

Ik ben al een poosje een enthousiaste vrijwilliger die maandelijks de redactie van de “Gezôarse Weetjes” op zich neemt: het uittypen van de teksten, een aangename lay-out maken en het resultaat naar de drukker brengen. Uiteindelijk krijgen de inwoners van ons dorp dan elke maand - gratis - een in tweeën gevouwen A4’tje in hun bus. Ze vinden er een kalender met activiteiten in en een aantal interessante weetjes over het dorp.

Elke maand is het weer een race tegen de tijd om het dorpskrantje de 16de van de maand bij de drukker te krijgen, de uiterste deadline, die ik elke maand weer met heel veel bloed, zweet en tranen probeer te halen.

 

“Zo! Het staat erop!”

Opgelucht leun ik even achterover, blij dat mijn werk voor deze maand er weer op zit.

“En nog maar kwart voor zeven, ik heb een nieuw record gebroken!” lach ik tevreden, “Morgen nog eens nalezen op foutjes, en dan naar de drukker.”

“Juich maar niet te vlug!” vindt mijn man, “Je kent de mensen hier toch? Tot middernacht van de 15de van de maand die voorafgaat aan hun activiteit mogen ze nog berichtjes komen afgeven, je zal zien dat er zo meteen weer eentje aan de deur staat!”

“Oh, zwartkijker!” repliceer ik, “deze maand ga ik geluk hebben! Zeker weten! En daarbij, vóór middernacht, dat neemt toch niemand ernstig?”

“Tja, je zal altijd zien dat er vroeg of laat iemand het wel ernstig neemt he?”

“Deze maand niet!” zeg ik beslist, “ze mogen op hun knieën voor me op de grond vallen, ik neem geen nieuwe artikeltjes meer aan. Het is af en het blijft af!”

Maar … O, cliché, natuurlijk gaat de bel.

Mijn hart slaat een slagje over, en ik kijk mijn man aan.

“O, nee! Jij gaat toch geen gelijk krijgen ?” vraag ik, een klein beetje verontrust.

“Tuurlijk wel!” zegt hij plagend.

“Maar het zal van deze keer niet waar zijn hé! Het krantje staat nu al propvol, er kan écht niets meer bij!” zeg ik, meer om mezelf te overtuigen dan mijn man.

“Ja, ja, tot ze je vragen om er nog iets tussen te zetten, en dan doe je ’t toch weer!” weet hij zeker, “Op dat punt ben jij een echte dweil!”

“Ha zo! Ik ben een dweil? Wel, deze keer niet!” zeg ik beslist, terwijl ik naar de deur ga.

Daar staat een oudere heer, zijn naam ken ik niet, maar ik weet dat hij voorzitter is van een bond voor gepensioneerden in ons dorp.

“Hey Tieneke.” zegt hij, iedereen kent mijn naam, maar alleen de ouderen maken er Tieneke van,

”Ik weet dat het op ’t nippertje is, maar zou je nog iets in de weetjes kunnen bijzetten?” zonder op mijn antwoord te wachten gaat hij verder, “Ik ben dit berichtje vergeten doorgeven, normaal doet mijn vrouw me daar aan denken, maar ze was ziek, niets ergs hoor, een gewoon verkoudheidje, maar op onze leeftijd kan dat ernstig zijn en …”

“Kom binnen, ik zal eens zien wat ik nog kan forceren.” nodig ik hem uit.

“Allez, vooruit, omdat je aandringt” zegt hij, en stapt binnen.

“Koffietje?” vraag ik, en ik loop al naar het apparaat.

“Ja, dat zou smaken, “ zegt hij “ik sla niet af dan vliegen!”

“Is je vrouw ondertussen volledig hersteld?” vraag ik, terwijl ik het apparaat vul.

“Ja, ja, ze is flink ziek geweest, ze moest zelfs het bed houden, maar nu is ze weer op de been, nog wat slapjes, maar het komt wel goed.”

Ik zet twee kopjes en nodig hem uit om naast me voor de pc te komen zitten.

“Laat je berichtje eens zien?” vraag ik terwijl ik het bestandje openklik waar mijn Weetjes op staan.

“Hier!” zegt hij, en hij haalt een verfrommeld papiertje uit zijn jaszak. Met bevende hand probeert hij de kreuken wat glad te strijken, vooraleer hij het me toesteekt.

“Oei! Vijf regeltjes!” tel ik al nog voor ik begin te lezen “Dat gaat proppen worden, mag ik het een beetje inkorten?”

“Goh …, ja …, als ’t niet anders kan,” zegt hij twijfelend, “wil je er dan een kadertje rondzetten?” vraagt hij “Dan valt het wat meer op.”

Vlug haal ik alle hoofdzaken uit zijn berichtje en bedenk een nieuwe, kortere tekst.

Inwendig vloek ik, een kadertje, waarom niet? Je geeft ze een vinger en ze nemen een hand!

“Je hebt dat precies nog al gedaan!” grapt de man, terwijl hij mijn bewegingen aandachtig volgt.

“Elke maand opnieuw hé?” repliceer ik, terwijl ik lief blijf lachen.

Ik plak het berichtje tussen de kalender en merk dat mijn lay-out te lang wordt voor de pagina,

“Dju toch!” mompel ik, “Nu moet ik alles weer aanpassen!”

Terwijl ik mijn lettertype een half puntje kleiner maakt, roert de man in zijn koffie. Ik kopieer en plak en speel met de opmaak, en na een paar minuutjes is alles weer netjes uitgelijnd. Er staat een kadertje rond zijn berichtje en ik heb er zelfs nog een kleine illustratie bij gezet.

“Voilà! ’t Staat er al tussen! Tevreden?” vraag ik hem.

Aandachtig bestudeert hij het scherm.

“Kan het niet vooraan in de kalender staan?” vraagt hij.

Oh, ja, natuurlijk, meneer wil meer! Inwendig foeter ik, terwijl ik probeer om te blijven lachen.

“Tja, ik schik ze op datum hé? Jouw berichtje komt dan vanzelf ergens in het midden.” leg ik, uiterlijk kalm maar inwendig kokend, uit.

“O, op die manier … Dat tekeningetje vind ik ook niet zo mooi.” zegt hij keurend.

’t Was te denken, meneer gaat kritisch worden, waarom doet hij het zelf niet, als hij het toch zo goed kan? Mijn hoofd begint stilletjes aan over te koken en het kost me moeite om kalm te blijven.

“Dat is een eyecatcher, zo wordt de aandacht naar je activiteit getrokken, de vorm maakt niet zo veel uit hoor, als het maar opvalt!” ik begin me een kleuterjuf te voelen.

“Tja, je zal wel weten wat je doet zeker?” hij zegt het op een toontje dat doet vermoeden dat hij het tegendeel denkt.

“Meestal wel hoor!” stel ik hem gerust.

“Allez vooruit, ik zal er maar wat vertrouwen in hebben zeker?” zegt hij.

De drang om hem een mep te verkopen wordt wel erg groot, en met veel moeite pers ik een zuinig glimlachje te voorschijn.

“Ik kan niet meer doen dan mijn best he?” zeg ik zuinig.

“Dat is ook waar, en ’t is een schoon werk dat je dat elke maand weer doet, er moesten er meer zijn zoals jij, de wereld zou er veel mooier uitzien!” zegt hij ineens met overtuiging.

Val nu dood, eerst te bot en nu te zot! Verbluft zoek ik naar woorden.

“Oh, ik ben het gewend en ik doe het graag,” verzeker ik hem, terwijl ik nog steeds perplex zit door die plotse ommezwaai.

Hij drinkt zijn koffie en vertelt nog wat over de bezigheden van zijn vereniging en de verkoudheid van zijn vrouw, vooraleer hij weer opstapt.

“Bedankt voor de koffie!” groet hij me nog, en dan is hij weg.

Ik blijf even stil zitten.

“Ja, ja, het ging deze keer niet waar zijn!” lacht mijn man, “Dweil!” vervolgt hij plagend.

“Oh, ik kon die man toch niet teleurstellen?” vind ik, terwijl ik zijn armen probeer te ontwijken.

“Dat kon je wel, maar zo ben je niet.” weet hij, terwijl ik dan toch maar die knuffel onderga.

“Gaan we uit eten?” vraagt hij “Je hebt zo hard gewerkt en zo komt er zeker niemand nog storen!”

“Naar de Italiaan?” vraag ik lief en ik bijt plagend in zijn nek.

Daar kan hij nooit weerwerk aan bieden, ook deze keer niet, merk ik gniffelend.

“Kom, neem je jas, we zijn ermee weg!” ineens trappelt hij van ongeduld.

Ik laat me dat geen twee keer zeggen, en een half uurtje later zitten we romantisch aan tafel.

 

“Het was geen makkelijk mannetje, daarnet hé?”

“Nee, ik had op het eind echt zin om hem een mep te verkopen, maar ik kon me nog net inhouden.” zeg ik peinzend.

Hij schatert het uit.

“Je bent en je blijft een dweil jij!”

“Nee, ik ben een schrijver!” zeg ik droog “En een echte professional, ze mogen zo tien van die lastige klantjes bij mij binnensmijten, dan laat ik me nog niet uit mijn lood slaan!” ik probeer ernstig en slim te kijken terwijl ik het zeg, maar weet dat hij zo door me heen kijkt.

“Daar drink ik op!” zijn ogen fonkelen, en hij klinkt met zijn glas tegen het mijne.

“Op echte professionals” zeg ik lachend.

“Nee, op schrijvende dweilen!” plaagt hij.

Ah … die mannen moeten toch altijd het laatste woord hebben, denk ik en ik proost met hem mee.

 

Veel te vlug is de avond voorbij en staan we weer thuis, een paar minuutjes voor middernacht.

Gewoontegetrouw kijk ik nog even vlug in de brievenbus. Mijn hart slaat een slagje over als ik een envelopje vind.

Het zal toch niet waar zijn? Ik herken het handschrift van de man van de gepensioneerdenbond.

“Wat nu? Nog iets voor in de weetjes?” komt mijn man nieuwsgierig kijken.

“Ik denk het, ’t is van die man van deze avond nog,” onzeker kijk ik hem aan, “doe jij ‘t maar open en als het een berichtje is dan heb ik het niet meer gevonden!” ik steek hem het briefje toe en kijk hoe hij het openmaakt en er een kaartje uithaalt.

“Hmmm, … zo, zo, … tja … wat gaan we hier nu mee doen?” plagend steekt hij me het kaartje toe.

“Lees zelf maar,” moedigt hij me aan “het is een leuk berichtje!”

Ik plooi het kaartje open en lees: een welgemeende “Mercie” voor het elke maand opnieuw weer plaatsen van onze berichtjes in het dorpskrantje, met sympathieke groet, Gilbert Verplancken.

Ik schiet in de lach “Ah, die mannen toch? Eerst maken ze je het leven zuur, en dan komen ze’t weer goed maken!”

Mijn man geeft me een vluchtige knuffel en gaat dan om twee glaasjes port, “Ben jij nu een dweil, of een professional?” vraagt hij.

“Ah, een dweil of een professional, wat maakt het ook uit, het is wat ik graag doe en dat is me al eens een lastig klantje waard!” zeg ik proostend, en daar drinken we op!

 

-~Eind~-

 

****************************************************

Geschreven door Dulcera op 18-04-2006 om 15:41:00.

 

Noot van de schrijfster: dit verhaaltje is een "folieke", en zeker niet echt gebeurd zoals het hier beschreven staat!  De persoon Gilbert Verplancken bestaat ook helemaal niet (laat staan dat die arme man zijn vrouw ziek zou zijn) Het geheel is geschreven naar aanleiding van een uitgave van "schrijversplaza", de opdracht was om iets te schrijven over het schrijversleven, en bij gebrek aan inspiratie kwam ik uiteindelijk met dit op de proppen .... geschreven ter ontspanning, en zonder ook maar één momentje ernstig te willen zijn!

 

22:37 Gepost door Dulcera in Vrije tijd | Permalink | Commentaren (1) | Tags: professional, dweil, schrijven, vrouw, man |  Facebook |